Sociaal Akkoord en wetsvoorstel Versobering pensioen: einde discussie?

    25 april 2013

    Op 11 april sloten de sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid (STAR) een Sociaal Akkoord. Het Sociaal Akkoord raakt de woningmarkt, staat uitgebreid stil bij het ontslagrecht en claimt ruim twee maanden onderzoekstijd voor de in het Regeerakkoord aangekondigde wijzigingen op het terrein van pensioenen. In dit artikel ga ik op deze drie onderwerpen in. Gelet op de samenhang ga ik ook in op het op 15 april bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages en maximering pensioengevend inkomen.

    Voorgeschiedenis en totstandkoming

    In het Regeerakkoord werden drastische aanpassingen voor met name pensioenen en arbeidsmarkt aangekondigd. In de ogen van werkgevers en werknemers blijkbaar zo drastisch (en onwenselijk) dat zij om tafel zijn gegaan om te zoeken naar alternatieven die beide partijen beter voorkomen. Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid drong aan op een akkoord vóór 1 april 2013, maar werkgevers en werknemers wensten zich niet onder druk te laten zetten en lieten dat ook weten. Daardoor was het betrekkelijk verrassend dat er op 11 april toch een Sociaal Akkoord lag.

    Woningmarkt

    De woningmarkt wordt in de inleiding bij het Sociaal Akkoord als een van de oorzaken van de crisis in Nederland genoemd.
    Uiteindelijk blijft de rol voor de woningmarkt in het akkoord beperkt tot enkele opmerkingen. Zo biedt volgens de sociale partners de verkenning van de Commissie Van Dijkhuizen om institutionele beleggers een grotere rol te laten spelen bij hypothecaire woningfinanciering ‘uitzicht op een stabielere financiering van hypotheken tegen lagere kosten’. Daarnaast moeten de recent geboden ruimte voor geldverstrekkers 1), om een inkomensperspectief weer een rol te laten spelen, en de zogenoemde combinatiehypotheek een positieve impuls geven. Van die laatste mogelijkheid - slechts effectief 50% aflossen bij een 100% annuïtaire aflossing: de zogenoemde Blokhypotheek - kunnen de effecten op zijn minst worden betwijfeld.
    De institutionele beleggers zouden wat mij betreft zeker een positieve rol kunnen spelen, maar het is dan wel aan de sociale partners om hun invloed bij die institutionele beleggers in te zetten om dit te realiseren. Verder biedt dit Sociaal Akkoord weinig concreet perspectief voor de woningmarkt.

    Arbeidsmarkt en ontslagrecht

    Arbeidsmarkt

    Een van de terreinen waarop het kabinet niet direct maatregelen nam na het tekenen van het Regeerakkoord, was de arbeidsmarkt. De plannen zoals verwoord in het Regeerakkoord zijn door het Sociaal Akkoord flink afgezwakt. Volgens het nu gesloten akkoord krijgen de sociale partners per 1 januari 2020 de verantwoordelijkheid voor het beleid van preventie, ondersteuning, bemiddeling en re-integratie. Ook zal de premieverdeling voor de WW tussen werkgevers en werknemers in 2020 50-50% zijn en per 1 januari 2016 beginnen werknemers premie te betalen voor de WW (uit het brutoloon).
    De sociale partners beogen de WW als werknemersverzekering te handhaven ‘op de huidige polisvoorwaarden’. Kortom: het is niet de bedoeling dat  veel aan de hoogte en uitkeringsduur verandert. Wel kan een verschuiving plaatsvinden van het publieke deel van de verzekering naar private aanvullende verzekeringen op cao-niveau.
    In het Sociaal Akkoord wordt ook geconstateerd dat sprake is van een doorgeschoten gebruik van tijdelijke contracten, nulurencontracten of min-max-contracten. Verder willen de sociale partners duurzaam zzp-schap bevorderen.

    Ontslagrecht

    Het ontslagrecht wijzigt niet (zo drastisch) als voorgesteld in het Regeerakkoord. Toch wijzigt er nog wel het een en ander. Zo is ontslag nietig ingeval van het ontbreken van een beslissing van het UWV. Bij cao kan – onder voorwaarden – een bijzondere sectorcommissie worden ingesteld. Die commissie mag dan, in plaats van het UWV, gaan oordelen over ontslagen in de sector. Dit moet zorgen voor laagdrempelige voorziening ‘dicht bij bedrijven en werknemers’. 2)
    Net als nu blijft een vaststellingsovereenkomst mogelijk, maar komt er wel een bedenktijd van twee weken. De werknemer kan in die periode advies inwinnen en zijn instemming met het ontslag herroepen.

    Transitie- en ontslagvergoeding

    In het nieuwe systeem zal onderscheid worden gemaakt tussen een transitievergoeding voor iedereen bij (onvrijwillig) einde van het dienstverband en een ontslagvergoeding. De ontslagvergoeding is een correctie van de transitievergoeding bij ernstig verwijtbaar ontslag aan werkgever of werknemer. De correctie kan dus naar boven of naar beneden zijn.
    De transitievergoeding bedraagt een derde maandsalaris per dienstjaar bij een dienstverband tot tien jaar, en een half maandsalaris per dienstjaar voor ieder jaar dat het dienstverband langer dan tien jaar heeft geduurd. De transitievergoeding bedraagt maximaal € 75.000 en een jaarsalaris bij een hoger inkomen dan € 75.000. Als de continuïteit van het bedrijf in gevaar komt, kan de transitievergoeding worden verminderd (zo nodig tot nihil). Wie dit beoordeelt, blijft onvermeld. Kantonrechters kunnen een hogere of lagere vergoeding toekennen, maar alleen bij ernstige verwijtbaarheid. Daarbij gelden geen maximale grenzen.
    Voor werknemer met een dienstverband van tien jaar of langer en die op 1 januari 2016 vijftig jaar of ouder zijn, komt een overgangsregeling.
    Het nieuwe ontslagrecht en de transitievergoeding moeten per 1 januari 2016 ingaan.

    Goudenhanddrukstamrecht

    Onduidelijk is in hoeverre een ontslagen werknemer vrij is in de aanwending van de transitievergoeding en of hij deze mag storten in een goudenhanddrukstamrecht. Voor goudenhanddrukstamrechten lijkt in het voorgestelde model nog zeker wel een rol weggelegd. Maar op basis van de tekst van het Sociaal Akkoord is moeilijk in te schatten wat de omvang van deze markt zal zijn.

    Pensioenen

    Wetsvoorstel

    Enkele dagen na de totstandkoming van het Sociaal Akkoord, werd het wetsvoorstel ’Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages en maximering pensioengevend inkomen’ (hierna ‘Versobering pensioen’) naar de Tweede Kamer gezonden. De sociale partners die onderhandelden over het Sociaal Akkoord kenden de inhoud hiervan waarschijnlijk al, en anders op zijn minst de contouren hiervan. Die stonden namelijk in het Regeerakkoord. Om het Sociaal Akkoord beter te kunnen begrijpen, volgt hier eerst de inhoud van het wetsvoorstel.
    Zoals uit het Regeerakkoord al bleek, is het streven voor de oudedagsvoorziening  vrij drastisch naar beneden bijgesteld naar 70% van het gemiddelde pensioengevend inkomen, in plaats van 70% van het laatst verdiende inkomen. Hoewel deze wens vanuit begrotingsperspectief begrijpelijk is, is dit toch wel een fundamentele keuze die te weinig aandacht lijkt te krijgen.
    De ‘norm’ 70% van het laatstverdiende loon is voor huidige en toekomstige generaties al een mythe geworden. Vrijwel niemand haalt dit nog. Maar is dat een reden om deze norm als uitgangspunt los te laten? Middelloonregelingen zijn tegenwoordig toch wel de norm. Tel daar nog echtscheidingen en andere oorzaken voor pensioengaten bij op, en het wordt zonder rekenmodel al duidelijk dat een pensioen dat maar enigszins in de buurt komt van 70% van het laatstverdiende loon een illusie zal blijken. Als het uitgangspunt – zeg maar gerust de bovengrens - dan ook nog eens drastisch wordt verlaagd, is het leed waarschijnlijk in de toekomst niet te overzien. Als de norm al verlaagd zou moeten worden, dan zou ik toch met klem willen pleiten voor de nodige reparatiemogelijkheden van pensioengaten ontstaan in het verleden, zodat een acceptabel pensioen haalbaar blijft.

    Opbouwpercentage

    Het maximale opbouwpercentage per dienstjaar in een eindloonregeling wordt met ingang van 1 januari 2015 1,55% (2014: 1,9%). Voor middelloon wijzigt het percentage in 1,75% (2014: 2,15%). Het partnerpensioen en wezenpensioen worden op overeenkomstige wijze verlaagd, net als beschikbarepremieregelingen. Een argument dat in de Memorie van Toelichting 3) naar voren wordt gebracht, is dat de pensioenpremies sinds 1995 bijna zijn verdubbeld (van bijna 9% naar bijna 18% van de bruto loonsom). Groot manco bij dit argument is dat geen oorzaken voor de stijging worden genoemd.
    Verder weet men in Den Haag eigenlijk ook niet wat het effect van de maatregelen zal zijn. Neem het volgende citaat:
    “De pensioenpremies bestaan uit zowel het werkgevers- als het werknemersdeel. De veronderstelde lagere werknemerspremies leiden direct tot een hogere belastingopbrengst in box 1 en een hoger netto loon. De veronderstelde lagere werkgeverspremies zullen (op termijn) bovendien leiden tot een hoger brutoloon, ervan uitgaand dat de loonruimte (op termijn) ongewijzigd zal blijven. Dit hogere brutoloon leidt tot een hogere loonheffing waardoor de belastingopbrengsten in box 1 toenemen. Wel is een ingroeiperiode van een beperkt aantal jaren verondersteld voordat de lagere werkgeverspremie ook volledig is omgezet in een hoger brutoloon. Mogelijk leidt de verlaging van de pensioenpremies tot een verlaging van de loonkosten. Het CPB heeft in de doorrekening van het Regeerakkoord aangegeven dat dit leidt tot een verbetering van de concurrentiepositie van Nederland.”
    Dit citaat hangt van veronderstellingen aan elkaar! Bovendien wordt het CPB erbij gesleept, maar voor de conclusie dat lagere loonkosten leiden tot een verbeterde concurrentiepositie is het CPB niet nodig. Maar het gaat niet om een verbeterde concurrentiepositie. Het gaat juist om de gedragseffecten van werkgevers en werknemers die uiteindelijk tot een resultaat moeten leiden. En daarvoor worden enkel enige veronderstellingen aangedragen. De andere kant op redeneren lukt net zo makkelijk. Hopelijk worden hierover nog kritische vragen gesteld.

    Pensioengevend loon

    Als pensioengevend loon wordt maximaal € 100.000 (geïndexeerd) in aanmerking genomen. Voor de bepaling van de maximale pensioenopbouw moet hierop nog de AOW-franchise in mindering worden gebracht! Dit was nog een van de onduidelijkheden uit het Regeerakkoord. Dit maximumbedrag is tamelijk arbitrair (ongeveer drie maal modaal) gekozen, zo lijkt het. Het had mij logischer geleken om aan te sluiten bij een al bestaande norm, zoals bijvoorbeeld de zogenoemde Balkenende-norm. Het invoeren van een aftopping zelf  is al door de nodige deskundigen bepleit en lijkt mij ook zeer goed verdedigbaar.
    Met ingang van 2015 zal een backservice voor het salarisdeel dat uitstijgt boven de grens van € 100.000 niet langer mogelijk zijn.

    Voorbeeld:
    Werknemer Van Vleuten heeft een eindloontoezegging en in 2014 een salaris van € 95.000. Eind 2015 stijgt dat loon naar € 103.000. Over de jaren vóór 2015 is alleen backservice mogelijk voor het verschil tussen € 100.000 en € 95.000 (en dus niet over het gehele verschil tussen € 103.000 en € 95.000).

     

    Afkoopbaarheid bovenmatig pensioen

    Een novum in het wetsvoorstel Versobering pensioen is de wijziging van de Pensioenwet, waardoor de afkoop van bovenmatig pensioen mogelijk wordt. Een pensioenuitvoerder wordt verplicht om aan een dergelijke afkoop mee te werken. Op de pensioendatum is de pensioenuitvoerder bevoegd het bovenmatige deel van het pensioen af te kopen.
    Voor pensioenfondsen wordt bepaald dat een fiscaal bovenmatige regeling uitsluitend kan worden uitgevoerd als een vrijwillige pensioenregeling.
    In de ‘slipstream’ van pensioen worden – logischerwijs - ook de lijfrentemogelijkheden  met ingang van 2015 beperkt. De dotatie aan de oudedagsreserve wordt verlaagd van 10,9% van de winst naar 8,9% (en een verlaging van het absolute maximum naar € 7.847. De jaarruimte wordt verlaagd van 15,5 naar 12,7% van de premiegrondslag (nog niet zo lang gelden nog 17%!). Die premiegrondslag wordt bovendien ook gemaximeerd op € 100.000 (welk bedrag ook nog met een AOW-franchise wordt verminderd).

    Sociaal Akkoord

    De sociale partners achten een versobering van pensioen niet gewenst en willen vóór 1 juni 2013 met een uitgewerkt voorstel komen uit nog te onderzoeken varianten. In het Sociaal Akkoord worden twee mogelijke varianten genoemd (uitgaande van een maximaal te bereiken opbouwpercentage van 2%):

    • “de mogelijkheid van een netto pensioenspaarfaciliteit in aanvulling op de voorgestelde beperking van de Witteveen ruimte met een vrijstelling voor vermogensrendementsheffing (box 3). Dit moet kunnen voortvloeien uit een collectieve arbeidsvoorwaardelijke afspraak, die verplicht moet kunnen worden gesteld.
    • De mogelijkheid om de belastingheffing op pensioen gedeeltelijk te verschuiven van een heffing bij uitkering naar een heffing bij premie-inleg zonder belasting op vermogensrendement.”

    De omschrijvingen zijn niet helder. In ieder geval hebben de varianten wat mij betreft met elkaar gemeen dat de afkoopmogelijkheid van het box-3-deel van het pensioen van tafel zou moeten gaan. Dus geen afkoopmogelijkheid in de Pensioenwet zoals nu voorgesteld in het wetsvoorstel Versobering pensioen. Meer hierover in het artikel van Nancy Struve.
    Daarnaast willen de sociale partners de tijdelijke overbruggingsregeling in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd verruimen (300% van het brutominimumloon voor samenwonenden en 200% voor alleenstaanden in plaats van de voorgestelde 150% van het brutominimumloon voor iedereen).

    Conclusie

    Het Sociaal Akkoord stelt wat mij betreft de juiste pijnpunten aan de orde. Probleem is wel dat op diverse cruciale punten alleen het probleem wordt benoemd en niet de concrete oplossing. Dus geen einde discussie!
    Positief is wel dat een strakke deadline is gesteld aan het uitwerken van het alternatief voor versobering van pensioen.

    1) In het Sociaal Akkoord abusievelijk aangeduid als hypotheekverstrekkers. (p. 39)

    2) p. 28 Sociaal Akkoord

    3) Kamerstukken II 2012-2013, 33 610, nr. 3, p. 4 e.v.