Lijfrente bij beslag, faillissement en bijstand

    27 januari 2014

    Op een lijfrenterekening bij een bank kan sinds 1 oktober 2012 geen beslag meer worden gelegd. Ook valt de bancaire lijfrente niet meer in het faillissement van de rekeninghouder. Op deze wijze wordt een verschil tussen een bancaire lijfrente en de verzekerde lijfrente opgeheven. En wordt aantasting van oudedagsvoorzieningen  voorkomen. De vraag is of deze gelijkstelling van bancaire- en verzekerde lijfrenten op dit punt nu gelukt is. Tijd om de verzekerde lijfrente te vergelijken met de bancaire variant. In deze bijdrage staan we stil bij de bescherming van deze oudedagsvoorziening bij beslag, faillissement en bijstand.

    Beslag leggen op een lijfrenteverzekering

    Als een schuldeiser zijn vordering wil incasseren, dan kan hij op de verzekering van zijn schuldenaar beslag laten leggen door een deurwaarder. Daarvoor is toestemming van de rechter nodig. De rechter toetst echter niet vooraf of de vordering terecht is, noch of op de verzekering beslag gelegd mag worden. Nadat beslag onder de verzekeraar is gelegd, moet deze uiterlijk na vier weken aan de deurwaarder verklaren of het beslag doel heeft getroffen. Met andere woorden of de schuldenaar een verzekering heeft  lopen. In de verklaring geeft de verzekeraar ook aan of er beperkingen zijn om de verzekering af te kopen; bijvoorbeeld omdat de verzekering verpand is.
    De deurwaarder die beslag onder de verzekeraar legt, zal een verklaring ontvangen, waarin staat dat een gerichte lijfrente niet kan worden afgekocht door de beslaglegger. 1) De wet 2) bepaalt namelijk - in onze woorden - dat het afkoopverbod ook werkt tegen de beslaglegger. Voorwaarde is dan wel dat een afkoopverbod in de polisvoorwaarden is opgenomen, zodat de betaalde premies in mindering op het belastbaar inkomen kunnen worden gebracht. Betreft de levensverzekering geen gerichte lijfrente, dan is afkoop door de beslaglegger wel mogelijk.

    Faillissement

    In een faillissement gelden dezelfde regels als hiervoor genoemd bij beslag. Bij een gerichte lijfrente is om fiscale redenen een afkoopverbod opgenomen, waardoor de curator in het faillissement de verzekering niet kan afkopen. Voor andere verzekeringen dan de gerichte lijfrente geldt een aparte regeling. 3) De curator kan een andere levensverzekering niet afkopen voor zover de verzekeringnemer 4) daardoor onredelijk wordt benadeeld. Of sprake is van onredelijke benadeling beoordeelt de rechter-commissaris. 5)

    Voorbeeld onredelijke benadeling op grond van verzorgingskarakter
    (Rechtbank Haarlem, 29-04-2011; LJN: BQ4139)
    De rechter-commissaris had toestemming gegeven om twee levensverzekeringen van de failliet af te kopen. De rechtbank moest op verzoek van de failliet beslissen of hij door afkoop onredelijk zou worden benadeeld.
    De rechtbank overweegt dat met onredelijke benadeling is bedoeld, de uitwinning van een levensverzekering met een verzorgingskarakter (…). Daarbij is onder meer van belang of een dergelijke voorziening nog noodzakelijk is, naast eventueel reeds elders bestaande aanspraken, zoals de AOW. Is met andere woorden de verzekering niet de enige oudedags- of nabestaandenvoorziening, dan zal afkoop doorgaans eerder kunnen worden toegestaan.
    De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringnemer door afkoop van de twee verzekeringen onredelijk zal worden benadeeld. Voldoende aannemelijk is geworden dat de verzekeringen zijn afgesloten als pensioenvoorziening en dat deze een verzorgingskarakter hebben, waarvoor in andere regelingen geen of onvoldoende bescherming bestaat. Weliswaar heeft verzoeker aanspraak op AOW, maar de AOW-uitkeringen en de uit de verzekeringen te verwachten uitkeringen overstijgen niet de naar maatschappelijke opvattingen normale kosten van levensonderhoud van de verzekeringnemer en zijn partner. Daarnaast valt niet te verwachten dat de verzekeringnemer, gelet op zijn leeftijd (50 jaar) in de toekomst nog voldoende mogelijkheden heeft om een behoorlijk pensioen op te bouwen. Dit geldt te meer nu de verzekeringnemer op dit moment geen baan heeft. De rechtbank vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris.

     

    Schuldsanering

    Bij de schuldsanering natuurlijke personen (‘WSNP’) kan de bewindvoerder een gerichte lijfrente ook niet afkopen door het afkoopverbod. Voor andere levensverzekeringen beoogt de wet bescherming tegen onredelijke benadeling door afkoop te bieden. Net zoals bij faillissement. Aanvankelijk stond dat uitdrukkelijk in de wet. Bij een latere wetswijziging is deze bepaling vervallen. Daardoor is het voor bewindvoerders vaak niet meer duidelijk of afkoop nu wel of niet mogelijk is als iemand in de schuldsanering zit. In de parlementaire toelichting bij de wetswijziging is echter uitdrukkelijk bepaald dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd. Daardoor geldt voor afkoop dat, als er geen fiscaal afkoopverbod is, de verzekeringnemer niet onredelijk mag worden benadeeld.

    Toepassing afkoopverbod in jurisprudentie

    Hoewel de wet duidelijk is over een afkoopverbod dat in de verzekeringsovereenkomst is vastgelegd, zijn er rechterlijke uitspraken die daar toch een andere invulling aan geven.

    Voorbeeld LJN: BZ1801, Rechtbank 's-Hertogenbosch
    Het bestaan van een fiscaal afkoopverbod betekent niet dat geen afkoop van de levensverzekering mogelijk is. De voorwaarden om tot een rechtsgeldige afkoop te komen, zijn namelijk een zaak van het verbintenissenrecht en niet van de fiscaliteit (vgl. Kamerstukken II 2008/2009, 31 704, nr. 8, p. 58). Het voorgaande betekent dat de bewindvoerder ondanks het fiscaal afkoopverbod toch tot afkoop kan overgaan. Dit leidt in beginsel tot toepassing van een fiscaal sanctieregime, hetgeen forse gevolgen kan hebben voor de opbrengst van de afkoop van de levensverzekering.

     

    Maar in Hof Arnhem LJN: BY0621 werd anders geoordeeld.
    Daar overwoog het Hof:
    De curator kan ten aanzien van de lijfrentepolis in beginsel alleen die beschikkingshandelingen verrichten die de failliet toekomen en dat alleen onder dezelfde voorwaarden zoals die voor de failliet gelden.
    Het beroep op 22a Faillissementswet (toets of sprake is van onredelijke benadeling) faalt. Deze bepaling heeft niet de strekking om de bevoegdheden van de curator uit te breiden maar juist om de mogelijkheid om bestaande bevoegdheden uit te oefenen te beperken, en afhankelijk te maken van toestemming door de rechter-commissaris.
    Dat de failliet de terzake betaalde premies niet daadwerkelijk bij zijn aangifte inkomstenbelasting in aftrek heeft gebracht op zijn inkomen, doet aan de aard van de verzekering en de toepasselijkheid van het afkoopverbod van artikel 7:986, lid 4, laatste volzin, BW niet af.

     

    De laatste uitspraak van het Hof Arnhem lijkt ons juist. In de wet staat heel duidelijk dat een beslaglegger of curator een gerichte lijfrente niet af kan kopen. Dat verzekeraars in de praktijk vaak wel aan afkoop door de verzekeringnemer meewerken doet daar niet aan af. Het uitgangspunt bij de beoordeling door de rechter moet naar onze mening zijn, dat erkende oudedagsvoorzieningen niet aangetast kunnen worden. Zoals door werkgevers toegezegde pensioenrechten ook niet aangetast kunnen worden. 6) In zekere zin gaat het om toekomstige verdiencapaciteit, in een periode waarin het inkomen - naar verwachting - minder makkelijk met arbeid verdiend kan worden.

    Beslag leggen op een lijfrenterekening

    Vóór 1 oktober 2012 kon een deurwaarder met een beslag het tegoed op een lijfrenterekening opnemen. Na deze datum zal ook de bank de deurwaarder informeren dat een opnameverbod voor deze tegoeden geldt.
    Anders dan voor de lijfrenteverzekering ontbreekt echter een specifieke bescherming van beslag op een bancaire lijfrente  in het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering. De beslagbescherming valt af te leiden uit andere artikelen. Artikel 475a Rv bepaalt:

    Het beslag strekt zich niet uit tot vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn,(…).

    Met ‘de wet’ wordt ook de Wet op de inkomstenbelasting 2001 wordt bedoeld. 7) En sinds 1 oktober 2012 staat in die wet dat geen beslag op een lijfrenterekening kan worden gelegd. In artikel 1.7 waarin de lijfrente is gedefinieerd staat nu (1.7 IB):

    Een aanspraak op het tegoed van een lijfrentespaarrekening (…), is voorzover de ter zake ingelegde bedragen in aanmerking konden worden genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit werk en woning, niet vatbaar voor beslag.

    Het beslagverbod geldt alleen ‘voorzover’ ingelegde bedragen in aanmerking genomen konden worden bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning. De bescherming geldt dus voor bedragen die op grond van jaar- of reserveringsruimte, omzetting van een oudedagsreserve of stakingswinst in aftrek konden komen. De bescherming lijkt echter ook te gelden voor tegoeden die voortkomen uit bedragen die niet in aftrek zijn gebracht. Bij verzekerde lijfrenten vond Hof Arnhem (zie kader) immers het gegeven of een aftrek feitelijk is genoten niet relevant. Naar de mening van het hof is de aard van het product doorslaggevend. Voor dit standpunt is zeker wat te zeggen. Burgers zullen niet snel meer geld op een geblokkeerde lijfrenterekening storten als de inleg niet aftrekbaar is. Zeker niet nu bij het uitkeren van het geld nog maar een beperkte tegemoetkoming wordt gegeven voor het deel van de inleg dat niet in aftrek gebracht kon worden. 8) Het komt de uitvoerbaarheid ten goede als het geld op de lijfrenterekening gezien kan worden als een reële oudedagsvoorziening. Uiteraard voorzover niet overduidelijk een poging gedaan is om geld aan de grip van de schuldeiser te onttrekken. Afgezien van misbruiksituaties zou ook hier het uitgangspunt moeten gelden dat de oudedagsvoorziening in beginsel beschermd wordt.

    Uitkeringsrekening en beslagvrije voet

    Het gevolg van de wetgeving is dat geen beslag gelegd kan worden op bancaire lijfrenten of gerichte lijfrenteverzekeringen. Op uitkeringen is wel beslag mogelijk. 9) Daarbij moet rekening gehouden worden met een beslagvrije voet. 10) Na inhouding van de wettelijke heffingen moet de beslagene nog in zijn levensonderhoud kunnen voorzien.

    Keuze voor beslagbescherming in inkomstenbelasting

    De wetgever het dwingende civielrechtelijke beslagverbod dus in een belastingwet opgenomen. Dat is opvallend. Meestal wordt een civielrechtelijke norm alleen in een publiekrechtelijke wet opgenomen als dat van belang is voor de uitvoering van die specifieke publiekrechtelijke wet. 11) Hier wordt de regel vastgelegd in de Wet inkomstenbelasting 2001. Een wet die bedoeld is om een belastingschuld vast te stellen.
    Belastingplichtigen moeten kennelijk negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in de aangifte inkomstenbelasting opgeven als beslag op het tegoed wordt gelegd. 12) In theorie dan. In de praktijk zal dat niet gebeuren. Banken informeren deurwaarders immers vooraf al dat geen beslag gelegd kan worden. Voor verzekeringen bepaalt het civiele recht dat het mogelijk is om afkoop uit te sluiten voorzover de premie in de inkomstenbelasting in aanmerking kon worden genomen. Het zou veel logischer zijn geweest om bij die bepalingen aan te sluiten. “Wat maakt het uit?” zegt u misschien. Voor de kenbaarheid van wettelijke bepalingen veel. Niet veel schuldeisers zullen in de Wet inkomstenbelasting 2001 op zoek gaan naar de regels voor beslaglegging.

    Faillissementsbescherming, schuldsanering

    Met de beslagbescherming is op 1 oktober 2012 ook voorzien in faillissementsbescherming. Geregeld is dat een bancaire lijfrente niet tot de faillissementsboedel behoort. De bancaire lijfrente blijft daarmee buiten het faillissement. Voor de verzekerde lijfrente is bescherming voorzien bij zowel faillissement als schuldsanering. Bij de bancaire lijfrente is niet voorzien in bescherming bij schuldsanering. 13)

    Bescherming oudedagsvoorziening en bijstand

    Beslag en faillissement zijn niet de enige situaties waarin een oudedagsvoorziening aangetast kan worden. Wat te denken van de situatie waarin iemand genoodzaakt is om een beroep te doen op een bijstandsuitkering. De Wet werk en bijstand (WWB) is een uiterste vangnet. Je krijgt pas recht op een bijstandsuitkering als alle middelen en vermogensbestanddelen zijn uitgeput. Een lijfrentetegoed wordt daarom bij het vermogen geteld dat de aanvrager eerst moet opmaken, voordat recht op een uitkering kon ontstaan. De lijfrente moet dan te gelde worden gemaakt als dat contractueel mogelijk is. Verzekeraars en banken zijn in de praktijk vaak bereid om aan afkoop of opname mee te werken. Voor veel gemeenten is dat gegeven voldoende om weinig waarde te hechten aan het (fiscale) opnameverbod. Dat daarbij hoge kosten worden gemaakt en extra belasting verschuldigd is, is meestal geen reden om de lijfrente buiten beschouwing te laten. 14) De ondernemer of de werknemer die weinig pensioen heeft opgebouwd, raakt zijn ‘pensioen’ dus kwijt als hij of zij een beroep op bijstand doet. In tegenstelling tot de werknemers die bij hun werkgever pensioen hebben opgebouwd. Bij werkgevers opgebouwde pensioenrechten hoeven niet aangesproken te worden. Naar onze mening een onterecht en onrechtvaardig verschil, waarvoor gelukkig nu (eindelijk) maatregelen ophanden zijn 15)
    Hoewel de Minister van Sociale Zaken eerder al heeft gezegd dat gemeenten de ruimte hebben om de kortingsregeling op de betreffende aanvrager af te stemmen 16), zien we in de praktijk dat gemeenten op dit punt vaak nog naar willekeur handelen. Of een aanvrager voldoende oudedagsvoorzieningen overhoudt, lijkt vaak een nauwelijks relevant criterium bij de beoordeling van een bijstandsaanvraag.

    IOAZ

    In de Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) lijkt de lijfrente ook maar beperkt beschermd. Deze wet kent een vrijlating van inkomen uit verzekerde lijfrenten en aanvullende ‘pensioenvoorzieningen’ tot een waarde van € 117.058 (2014). 17) Deze vrijlating lijkt echter niet te gelden voor bancaire lijfrenten. Het gevolg is dat 4% van het tegoed op de lijfrenterekening als te korten inkomen wordt beschouwd als het totaalvermogen meer is dan € 128.547 (2014). Voor werknemerspensioen hoeft geen inkorting plaats te vinden. In zekere zin lijkt dus ook in deze wet het nemen van ondernemingsrisico of het hebben van een werkgever zonder goede pensioenregeling ‘bestraft’ te worden.

    Conclusie

    De gelijkstelling van verzekerde- en bancaire lijfrenten lijkt grotendeels gelukt. Al zou je verwachten dat de wetgever een beslagverbod voor lijfrenterekeningen op een zelfde manier zou vormgeven als het beslagverbod voor lijfrenteverzekeringen. Dat is niet gebeurd. Daarnaast zijn een aantal onduidelijkheden en onvolkomenheden blijven bestaan. De invoering van de faillissementsbescherming voor de bancaire lijfrente zou daarvoor een mooie gelegenheid zijn geweest. Een gemiste kans.
    Rest nog de vraag of deze oudedagsvoorzieningen nu voldoende bescherming genieten. Op dit punt concluderen we dat deze oudedagsvoorzieningen ten tijde van het verschijnen van deze bijdrage nog niet helemaal voor ‘vol’ worden aangezien. Vooral waar het de bijstand betreft. Een onderscheid tussen ondernemers (die toch al nauwelijks oudedagsvoorzieningen treffen) en werknemers met een beperkte werkgeverspensioenregeling enerzijds en werknemers die wel een goede pensioenregeling hebben anderzijds, lijkt ons erg onterecht en onrechtvaardig. Gelukkig lijken hiervoor inmiddels maatregelen in aantocht. Hopelijk wordt dit punt nu snel opgepakt. Beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald, zullen we maar zeggen.  

    1) Het gaat dan om lijfrenteverzekeringen, afgesloten na invoering van de zogenaamde Brede Herwaardering. De verzekering is dan tegen premie betaling afgesloten na 15 oktober 1990 of na 31 december 1991 als een koopsom is betaald.
    2) Artikel 479m Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in samenhang met artikel 7:986 lid 4 Burgerlijk Wetboek.
    3) Artikel 22a Faillissementswet.
    4) Onder verzekeringnemer moet ook de begunstigde worden verstaan.
    5) De rechter-commissaris houdt toezicht op de afwikkeling van het faillissement door de curator.
    6) Beslag leggen op pensioen heeft feitelijk weinig zin. Voor pensioenaanspraken geldt een dwingendrechtelijk afkoopverbod.
    7) Aangenomen kan worden dat een wet in formele zin is bedoeld. Ofwel een Wet die door Regering en Eerste- en Tweede Kamer is vastgesteld. Dat ook belastingwetten worden bedoeld, kan worden afgeleid uit het volgende lid, waar staat dat het beslag niet geldt voor het gedeelte waarop ‘wordt ingehouden krachtens de wet’.
    8) Zie artikel 3.107a, Wet inkomstenbelasting 2001.
    9) De beslagbescherming geldt voor de aanspraak. Dat is in lijn met de regeling voor verzekerde pensioenen en lijfrenten. Ook in de Pensioenwet wordt een pensioenaanspraak onderscheiden van een pensioenrecht. Een pensioenaanspraak wordt in artikel 1 van de Pensioenwet gedefinieerd als het recht op een nog niet ingegaan pensioen; een pensioenrecht als het recht op een ingegaan pensioen.
    10) 475c Rv/475d Rv, doorgaans moet de schuldenaar een inkomen van ten minste 90% van het bijstandsniveau overhouden.
    11) Zie bijvoorbeeld artikel 20 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
    12) Artikel 3.133, lid 2, onderdeel b Wet inkomstenbelasting 2001.
    13) Zie 295 Faillissementswet.
    14) Centrale Raad van Beroep, 18 juni 2013, nr. ECLI:NL: CRVB:2013:709.
    15) Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, brief aan de Tweede Kamer van 18 maart 2013.
    16) Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1 november 2012, antwoord op Kamervragen van het lid Karabulut.
    17) Regeling vermogenswaardering IOAZ, artikel 5, onderdeel d.