Lenteakkoord: wachten op de herfst?

    27 juni 2012

    Het Lenteakkoord (dat ook wel het Kunduzakkoord, Wandelgangenakkoord of Vijfpartijenakkoord wordt genoemd) is een hoofdlijnenakkoord. De fracties van VVD, CDA, D’66, GroenLinks en ChristenUnie hebben op 25 mei in dit akkoord vastgelegd hoe het begrotingstekort in 2013 moet worden verkleind. Begin juni zijn verschillende wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer ingediend. Op 21 juni 2012 heeft de Tweede Kamer de wetsvoorstellen ‘Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013’ en ‘Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd’ aangenomen. Het is de bedoeling dat beide wetsvoorstellen nog vóór het zomerreces (12 juli 2012) door de Eerste Kamer worden behandeld. De inhoud van het akkoord krijgt hierdoor steeds meer gestalte. In dit artikel staan we stil bij de inhoud van de diverse wetsvoorstellen en aangekondigde maatregelen. Hierbij belichten we vooral de onderwerpen op het terrein van oudedagsvoorzieningen en eigen woning. En we plaatsen hierbij enige kanttekeningen.
     

    Wijzigingen AOW en pensioen

    De overheid heeft wegens het begrotingstekort snel geld nodig en kan minder geld uitgeven. Daarom is besloten om het Pensioenakkoord wat betreft de AOW- en pensioenafspraken niet te volgen.

    AOW

    Verhoging AOW-leeftijd

    Voor de AOW betekent dit, dat de extra jaarlijkse verhoging niet doorgaat. Ook de mogelijkheid om de AOW eerder op te nemen of uit te stellen gaat niet door. Wel heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen om na invoering van het wetsvoorstel ‘Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd’ de mogelijkheden voor een flexibelere AOW en een deeltijd-AOW te onderzoeken. Volgens minister Kamp is hier echter geen geld voor. 

    In het nieuwe wetsvoorstel wordt de AOW-leeftijd sneller verhoogd. Het is de bedoeling dat de AOW-leeftijd in 2013, 2014 en 2015 ieder jaar met één maand wordt verhoogd. Vervolgens wordt in 2016, 2017 en 2018 de AOW-leeftijd ieder jaar met twee maanden verhoogd. Tot slot komen daar in het jaar 2019 nog drie maanden bij. Op 1 januari 2019 is de AOW-leeftijd dan 66 jaar geworden. Daarna gaat de verhoging in wat grotere stapjes van drie maanden per jaar, waardoor in 2023 de AOW-leeftijd van 67 jaar wordt bereikt.

    Samengevat:

    Jaren
    2013 t/m 2015
    2016 t/m 2018
    2019 t/m 2023
    Verhoging
    1 maand
    2 maanden
    3 maanden

    In 2024 wordt een verdere verhoging van de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Het Centraal Bureau voor de Statistiek stelt iedere vijf jaar de levensverwachting vast. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt daarna bekend of dit leidt tot een verdere verhoging van de AOW-leeftijd.

    Voorschotregeling

    Er komt voor de eerste jaren een voorschotregeling voor mensen die door de verhoging van de AOW-leeftijd in de financiële problemen komen. Zij kunnen op 65 jarige leeftijd een voorschot op de AOW-uitkering krijgen, die zij zouden hebben ontvangen zonder dat de AOW-leeftijd verhoogd zou zijn. Deze voorschotregeling, die in de vorm van een renteloze lening wordt verstrekt, geldt tot 2016.

    Maar voor wie is deze regeling nu bedoeld? Het gaat volgens ons alleen om mensen die in 2013 en/of 2014 VUT-uitkeringen of vroegpensioen ontvangen. Het overgangsrecht voor VUT- en prepensioen vervalt immers op 1 januari 2015. En om mensen die in 2013 op 65-jarige leeftijd een ouderdomspensioen gaan ontvangen. Zij krijgen te maken met het gemis van AOW gedurende ten hoogste twee maanden. In plaats van deze groep te wijzen op de voorschotmogelijkheid, is het wellicht meer praktisch hen te wijzen op de mogelijkheid om het pensioen te variabiliseren. De pensioenuitvoerder moet deze mogelijkheid dan wel bieden en de mate van variabilisatie moet op de pensioeningangsdatum vaststaan en binnen de verhouding 100:75 blijven. Kortdurende variabilisering zal in het algemeen van geringe invloed op de hoogte van het ouderdomspensioen zijn.

    Partnertoeslag

    Een ander aspect is het al in 1996 genomen besluit om de AOW-partnertoeslag met ingang van 1 januari 2015 te laten vervallen. Zonder nadere maatregelen zouden AOW-gerechtigden die in november of december 2014 65 jaar worden en een jongere partner hebben (zonder of met weinig inkomen), geen recht hebben op een partnertoeslag. De AOW-uitkering gaat voor deze groep door de nieuwe voorstellen pas in op 1 maart 2015, te laat om onder de huidige wetgeving nog recht te hebben op de partnertoeslag. Deze specifieke groep wordt nu ontzien en kan dus nog wel een partnertoeslag krijgen.

    Pensioen (tweede pijler)

    Pensioenrichtleeftijd

    Voor pensioen geldt dat de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2014 wordt verhoogd naar 67 jaar. Het blijft mogelijk om in een regeling van een lagere pensioenleeftijd uit te gaan. De fiscale begrenzing geldt dan echter alsof sprake is van een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar. 

    Opbouwpercentages

    In tegenstelling tot wat in het Pensioenakkoord was afgesproken, worden per 1 januari 2014 de maximale opbouwpercentages per dienstjaar verlaagd. Deze worden afgestemd op een ouderdomspensioen dat na 37 jaar (in plaats van 35 jaar) ten hoogste 70% van het pensioengevend loon bedraagt. Dit betekent dat voor eindloon de maximale jaarlijkse opbouw wordt verlaagd van 2% naar 1,9% en voor middelloon van 2,25% naar 2,15%. Voor beschikbare premieregelingen zijn al nieuwe staffels gepubliceerd, die uitgaan van deze lagere opbouw. De opbouwpercentages voor nabestaandenpensioen zijn afgeleid van het ouderdomspensioen en worden dus navenant verlaagd.

    Ook de pensioenrichtleeftijd wordt gekoppeld aan de levensverwachting. Als de AOW-leeftijd verder stijgt, dan zal de pensioenrichtleeftijd tien jaar daarvoor stijgen. Tot slot wordt het 40-deelnemings-jarenpensioen aangepast. Het aantal deelnemingsjaren en de leeftijd waarop dit pensioen moet ingaan, volgen daarbij nagenoeg de verhoging van de AOW-leeftijd.

    Praktische gevolgen

    In het Pensioenakkoord werd alleen de pensioenrichtleeftijd verhoogd. Hierdoor zou een deel van alle pensioenregelingen aangepast moest worden. In het nieuwe wetsvoorstel wordt echter ook nog de jaarlijkse pensioenopbouw verlaagd. Dit betekent dat vrijwel alle pensioenregelingen zullen moeten worden aangepast. Werkgevers en werknemers zullen voor 1 januari 2014 nieuwe afspraken moeten maken over de pensioenleeftijd. Als de pensioenleeftijd in een regeling meeschuift met de AOW-ingangsleeftijd, is er geen sprake meer van een ‘AOW-gat’. En daarmee is de voorschotregeling voor werknemers die na 1 januari 2014 met pensioen gaan overbodig geworden. Het overgangsrecht voor VUT- en prepensioen vervalt op 1 januari 2015. Hierdoor is volgens ons de voorschotregeling per 1 januari 2015 in zijn geheel overbodig geworden.

    Nu alle pensioenregelingen onder de loep genomen moeten worden en aangepast, vergt dat een grote inspanning van alle betrokken partijen (werkgevers, werknemers en pensioenuitvoerders) in korte tijd. Vanuit dat licht bezien is het terecht dat de wetgever grote haast heeft met de behandeling van het nieuwe wetsvoorstel. Wellicht daarbij het gevaar op de loer dat de wetgeving niet zorgvuldig tot stand komt.

    Een voorbeeld hiervan is dat een verhoging van de uiterste ingangsleeftijd van het ouderdomspensioen niet ter sprake komt in het wetsvoorstel. Dit lijkt ons geen bewuste keuze, maar eerder een punt dat in alle snelheid is vergeten. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor de einddatum van het nabestaandenoverbruggingspensioen. Wij zouden het logisch vinden als dit soort ‘wisseldata’ zouden meeschuiven met de verhoogde AOW- en/of pensioenrichtleeftijd.

    Minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaf bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer aan dat hij in gesprek gaat met de pensioenuitvoerders. Hij wil nagaan of en in hoeverre voor de uitvoerbaarheid een versoepeling van de wettelijke termijnen voor pensioencommunicatie nodig is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de termijn waarbinnen de startbrief moet zijn verstrekt.

    Lijfrente (derde pijler)

    In navolging van de inperking van de pensioenopbouw wordt per 1 januari 2014 ook de lijfrenteaftrek en de oudedagsreserve beperkt. In het ingediende wetsvoorstel wordt bij de lijfrenteaftrek in de formule voor de jaarruimte het percentage van 17 verlaagd naar 15,5. Daarnaast moet de factor A (pensioenaangroei) vermenigvuldigd worden met 7,2 in plaats van 7,5. De jaarlijkse toevoeging aan de oudedagsreserve wordt verlaagd van 12% naar 10,9%. In verdere inperking is voorzien bij het stijgen van de pensioenrichtleeftijd.

    Ook voor deze zogenaamde ‘uitgaven voor inkomensvoorzieningen’ geldt, dat mogelijk nog aanpassingen volgen. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk of het percentage van de reserveringsruimte van 17% bewust niet is aangepast of dat dit vergeten is. Hetzelfde geldt voor de aanpassing van de diverse uiterste ingangsdata van lijfrenten. Het zou logisch zijn als deze ‘meeschuiven’ met het verschuiven van de AOW- en/of pensioenrichtleeftijd.

    Vitaliteitssparen en levensloop

    Er wordt niet getornd aan het vitaliteitssparen en de overgangsregeling voor levensloop. Deze waren een onderdeel van het Belastingplan 2012.
    Wel komt de werkbonus voor oudere werknemers te vervallen. Er komt wel een bonus voor werkgevers om oudere en/of arbeidsongeschikte werknemers in dient te houden of te nemen. 

    Eigen woning

    Volgens het Lenteakkoord ondergaat de eigenwoningregeling een aantal veranderingen. De meest in het oog springende is dat vanaf 1 januari 2013 contractueel moet worden vastgelegd dat nieuwe hypotheken tijdens de looptijd in 30 jaar volledig en ten minste annuïtair worden afgelost. Alleen dan bestaat recht op hypotheekrenteaftrek. Leningvormen die sneller dan een annuïtair aflossingsschema aflossen zijn ook toegestaan, zoals een lineair aflossingschema. De aflossingseis zal per leningdeel gelden. Als er bijvoorbeeld twee leningdelen zijn waarvan er één aflossingsvrij is vormgegeven, dan zal voor het aflossingsvrije deel geen hypotheekrenteaftrek gelden.

    Voorbeeld 1)

    A koopt in 2013 een eigen woning ter waarde van € 200.000. A financiert deze aankoop met twee hypothecaire leningen. Een lening van € 175.000 waarop gedurende de looptijd contractueel volgens een annuïtair schema tot nihil wordt afgelost en een aflossingsvrije hypothecaire lening van € 25.000. Volgens de nieuwe regels is de betaalde rente over de lening van € 175.000 aftrekbaar en de betaalde rente over de lening van € 25.000 is niet aftrekbaar.

     

    Gevolgen

    Invoering van deze maatregel betekent dat er geen plaats meer zal zijn voor opbouwproducten zoals de Kapitaalverzekering Eigen Woning (KEW), de Spaarrekening Eigen Woning (SEW) en het Beleggingsrecht Eigen Woning (BEW). Immers, de eigenwoningbezitter lost in het voorgestelde systeem gedurende de looptijd al zijn eigenwoningschuld af, althans voor zover het gaat om de annuïtaire lening. Een fiscale stimulans voor een opbouwproduct bij bijvoorbeeld een aflossingsvrije lening ligt dan niet voor de hand.
    Wij zijn wel benieuwd of er nog specifieke maatregelen komen voor bijvoorbeeld erfpachtcanons. Die betalingen zijn in de huidige situatie net als hypotheekrente aftrekbaar, maar kunnen niet worden omgevormd naar een annuitaire vorm.

    Voor bestaande leningen voor de eigen woning en daaraan gekoppelde opbouwproducten zal overgangsrecht gelden. Als een eigenwoningschuld op 31 december 2012 wordt gezien als een “bestaande lening”, dan blijft deze lening een eigenwoningschuld tot de 30-jaarstermijn afgelopen is. Een bestaande lening mag worden overgesloten. Hierbij kan gedacht worden aan de overstap naar een andere hypotheekverstrekker of bij verhuizing naar een andere woning. Voor zover de omvang van de schuld niet groeit, blijft sprake van een bestaande lening. De bijleenregeling blijft gelden voor bestaande leningen. Eventuele meerwaarde bij verkoop van de oude woning moet dus in mindering worden gebracht op de nieuwe eigenwoningschuld.

    Als de bijleenregeling ook voor nieuwe hypotheken zal gelden, pakt dit in ongewijzigde vorm naar onze mening onevenredig zwaar uit. Voor de bijleenregeling betekent overwaarde het verschil tussen de verkoopopbrengst van de oude woning (minus de verkoopkosten) en de eigenwoningschuld. De eigenwoningschuld is voor nieuwe hypotheken echter in veel gevallen verder gedaald dan bij bestaande hypotheken door het annuïtaire aflosschema. Bij verhuizing naar een nieuwe eigen woning zal deze groep dus meer overwaarde realiseren en minder kunnen lenen dan iemand met een bestaande hypotheek.

    Wij gaan er van uit dat het overgangsrecht voor opbouwproducten niet alleen beperkt is tot verzekerings- en spaarproducten die verpand zijn, maar dat ook de fiscale faciliteiten voor reeds bestaande kapitaalverzekeringen worden gerespecteerd.

    De zogenoemde Loan-to-Value (LTV) die de (maximale) verhouding weergeeft tussen de totale omvang van de hypotheek en de waarde van de woning, wordt stapsgewijs verlaagd. Vanaf 2013 zal de LTV met 1% per jaar verlaagd worden van 106% nu naar 100% in 2018. De percentages zijn inclusief overdrachtsbelasting. Een uitzondering wordt gemaakt voor duurzame, energiebesparende investeringen. Tot maximaal 106% zal de LTV verhoogd kunnen worden met het voor de investeringen benodigde bedrag maar tot zover deze investeringen leiden tot lagere woonlasten. Voor energiebesparende voorzieningen mag volgens de Gedragscode Hypothecaire Financiering worden afgeweken van de inkomensnorm.

    Starters moeten in de toekomst gaan sparen voor de kosten koper van hun woning, of daarvoor een aparte lening afsluiten. Door de dalende LTV vanaf 2013 zijn deze kosten namelijk niet meer meefinancierbaar in de eigenwoninglening.

    De overdrachtsbelasting blijft ook na 30 juni 2012 gehandhaafd op 2%. De tijdelijke maatregel wordt structureel gemaakt. Vooruitlopend op de aanname van het wetsvoorstel heeft de staatssecretaris van Financiën op 25 mei een besluit gepubliceerd waarin hij goedkeurt dat het tarief ook op of na 1 juli 2012 2% blijft.

    Om het zogenaamde ’scheefwonen’ tegen te gaan, mogen verhuurders vanaf 2013 de huren voor huishoudens met een inkomen tussen € 33.000 en € 43.000 per jaar met 1% + inflatie verhogen. Scheefwoners zijn in dit kader mensen die een te hoog inkomen hebben in vergelijking met de huur van hun sociale huurwoning.

    Verkiezingsprogramma’s

    De maatregelen voor de eigen woning zijn – op de overdrachtsbelasting na – niet opgenomen in het wetsvoorstel ‘Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013’ dat op 4 juni bij de Tweede Kamer is ingediend. Daarom is het wel interessant om te kijken wat over dit onderwerp in de verkiezingsprogramma’s is geschreven. Bij het schrijven van dit artikel waren nog niet alle programma’s bekend. Desalniettemin geven wij een beperkt overzicht.

    Het CDA onderschrijft de bovengenoemde invoering van de annuïtaire lening, maar wil ook een vlaktaks invoeren (van ongeveer 35%) waardoor de aftrek verder beperkt wordt. Daarnaast wil deze partij het zogenoemde bouwsparen invoeren en versnelde aflossing van de eigenwoningschuld belonen met een bonus.
    D66 wil annuïtaire aflossing in 30 jaar verplicht stellen en voor bestaande gevallen daarbij een overgangstermijn van vijf jaar hanteren. Het percentage waartegen de hypotheekrente kan worden afgetrokken moet jaarlijks met 1% omlaag toit 35% in 2035. Daarnaast zou het eigenwoningforfait moeten worden afgebouwd en de overdrachtsbelasting worden afgeschaft.
    De PvdA wil het maximumtarief waartegen hypotheekrente wordt afgetrokken stapsgewijs verlagen van 52% naar 30%. De aftrek is slechts mogelijk over de gemiddelde eigenwoningschuld (momenteel 237.000). Voor nieuwe hypotheken zou een forfaitair annuïtair aflossingsschema gaan gelden. Dat betekent naar ons idee niet dat ook daadwerkelijk een annuïtaire hypotheek als voorwaarde voor renteaftrek geldt. Daarnaast hoeven starters geen overdrachtsbelasting te betalen.
    Christen Unie wil een ‘annuïtaire belastingaftrek’ en een maximale schuld waarover renteaftrek mogelijk is. Deze maximale schuld zou van € 750.000 in jaarlijkse stappen – omvang onbekend – verlaagd moeten worden tot € 500.000. Op termijn zou de eigenwoningschuld naar box 3 moeten verhuizen, zonder dat saldering met andere vermogensbestanddelen plaatsvindt. Het maximumpercentage waartegen renteaftrek kan plaatsvinden, moet de komende vijf jaar in stappen van 2% worden verlaagd van 52% naar 42%. Vervolgens vindt met stappen van 1% per jaar een verlaging plaats naar 30%. Er moeten meer schenkingsmogelijkheden voor familieleden worden gecreëerd.
    De SP heeft in haar verkiezingsprogramma opgenomen dat de hypotheekrenteaftrek in tien jaar wordt afgetopt naar schulden tot € 350.000. Het aftrekpercentage moet maximaal 42% worden. De overdrachtsbelasting wordt geleidelijk verlaagd naar 2% en starters krijgen een tijdelijke startersaftrek.
    GroenLinks ten slotte ziet de bovengenoemde maatregel als een eerste stap in de geleidelijke afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Zij wil een starterspremie voor starters op de woningmarkt. 

    WW en ontslagvergoedingen

    De plannen rondom ontslag bevatten drie hoofdelementen.

    • Op de eerste plaats wordt de WW-premie alleen in 2013 voor werkgevers verhoogd. In 2014 wordt de WW-premie weer verlaagd, want dan gaat een werkgever één maand WW betalen per dienstjaar dat de werknemer bij hem in dienst is geweest. Bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt daarbij een minimum van drie en een maximum van zes maanden. Aangekondigd is dat mogelijk voor kleine werkgevers een uitzondering zal worden gemaakt.
    • Ten tweede wordt met ingang van 2014 in situaties van onvrijwillig ontslag het recht op een zogenaamd transitiebudget geïntroduceerd. Dit recht bedraagt een kwart maandsalaris per gewerkt dienstjaar met een maximum van zes maanden. Het maakt daarbij niet uit of sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd. Het transitiebudget is géén ontslagvergoeding, maar moet worden aangewend voor een individueel recht op scholing of voor een duurzame inzetbaarheid van de werknemer. Deze wijziging – hoewel de exacte vorm nog niet duidelijk is – lijkt grote impact te hebben. Daarover later meer.
    • De ontslagroute wordt voor iedereen hetzelfde. Die loopt via het UWV. Bij kennelijk onredelijk ontslag blijft de gang naar de rechter mogelijk.

    Voor deze maatregelen is nog geen wetsvoorstel ingediend. Het gaat dus om afspraken op hoofdlijnen die nog verder zullen moeten worden ingevuld.

    Hoewel de exacte invulling nog ontbreekt, concluderen wij dat het transitiebudget niet kan worden aangewend voor een direct ingaand of uitgesteld stamrecht (goudenhanddrukverzekering of goudenhanddrukrekening). Het bedrag moet immers worden aangewend voor scholing dan wel trajecten van-werk-naar-werk. 

    In situaties van kennelijk onredelijk ontslag blijft worden voorzien in de mogelijkheid van het toekennen van een geldelijke vergoeding aan de werknemer. Deze vergoeding zou ten hoogste ½ maandsalaris per dienstjaar met een maximum van een jaarsalaris gaan bedragen. Deze norm zou moeten gaan gelden bij een neutrale verwijtbaarheid van het ontslag bij de werkgever. Het blijft mogelijk dat de werkgever en werknemer in onderling overleg de arbeidsovereenkomst willen beëindigen en een gang naar de rechter willen voorkomen. In dat geval kan de genormeerde ontslagvergoeding worden overeengekomen. Het is nog niet  duidelijk of  de huidige fiscale facilitering van het goudenhanddrukstamrecht voor dit soort ontslagvergoedingen blijft bestaan.

    Doordat in de plannen de WW voor een periode voor rekening van de werkgever komt, ontstaat mogelijk een verzekerbaar belang. Wellicht ontstaat er een nieuwe markt voor een WW-dekkingspolis.

    Wel concreet is de verhoging van de pseudo-eindheffing die de werkgever verschuldigd is bij een ‘excessieve vertrekvergoeding’ (toetsbedrag 2012 € 531.000). Deze wordt verhoogd van 30% naar 75%. Daarnaast wordt het toetsbedrag in 2013 niet geïndexeerd.

    Groene beleggingen

    De heffingskorting op groene beleggingen blijft gehandhaafd op het niveau van 2012 (0,7%). Ook de vrijstelling in box 3 blijft en bedraagt maximaal € 56.420 (2012). Groene beleggingen zijn aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan aangewezen groenfondsen. Deze groenfondsen moeten ten minste 70% van hun vermogen in groene projecten beleggen. Volgens het Belastingplan 2011 zou de heffingskorting verder afgebouwd worden naar 0,4% in 2013 en naar 0% in 2014. Deze afbouw is dus van de baan. De andere drie heffingskortingen in box 3 (sociaal ethisch, cultureel en durfkapitaal) en de hiermee samenhangende vrijstellingen worden per 1 januari 2013 wel afgeschaft.

    Overige maatregelen

    Naast de hiervoor genoemde maatregelen, zijn nog veel meer maatregelen aangekondigd in het Lenteakkoord (en deels ook al opgenomen in het wetsvoorstel ‘Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013’).

    Een greep uit deze maatregelen.

    BTW

    Het algemene BTW-tarief wordt per 1 oktober 2012 verhoogd van 19% naar 21%. Een gedeelte van deze opbrengst wordt in 2013 teruggesluisd via maatregelen in de inkomstenbelasting.

    Er is overgangsrecht voor nieuwbouwwoningen opgenomen in het wetsvoorstel. Bij overeenkomsten die vóór 28 april 2012 zijn afgesloten waarbij de levering van de nieuwbouwwoning na 30 september 2012 plaatsvindt, geldt voor alle termijnen toch een percentage van 19. 

    Belastingtarieven

    De belastingschijven en heffingskortingen worden bevroren door de inflatiecorrectie voor de loon- en inkomstenbelasting voor het jaar 2013 achterwege te laten. Verder worden vanaf 2013 de heffingskortingen voor de premies voor de volksverzekeringen tijdsevenredig herleid in dezelfde verhouding als de tijd dat men verzekerd en premieplichtig was in dat jaar. Deze maatregel raakt voornamelijk werknemers die Nederland binnenkomen dan wel verlaten.

    Tijdelijke crisisheffing

    Ook wordt een tijdelijke crisisheffing (eenmalig per 1 april 2013) ingevoerd voor inkomens voor zover die in 2012 meer dan € 150.000 bedroegen. De heffing bedraagt 16% en is door de werkgever verschuldigd.

    Reiskosten

    De meeste commotie is ontstaan over de voorgenomen maatregelen op het terrein van de reiskostenvergoedingen. Wellicht is dat de belangrijkste reden – naast de officiële verklaring over de uitvoerbaarheid – dat dit onderdeel nog niet in het wetsvoorstel is opgenomen. De maatregelen op dit terrein zullen in het Belastingplan 2013 worden gepresenteerd en in deze bijdrage niet verder worden besproken. 

    Bankenbelasting

    De bankenbelasting wordt verdubbeld. De beoogde opbrengst stijgt van € 300 mln. naar € 600 mln. Dit is overigens geregeld in de Wet Bankenbelasting die op 22 mei is aangenomen door de Tweede Kamer.

    Samenvatting

    Na de mislukte Catshuis-onderhandelingen hebben vijf partijen in recordtempo een akkoord gesloten.
    Ook het wetgevingsproces wordt in een hoog tempo doorlopen. De kans is dan reëel dat niet alle maatregelen zorgvuldig worden afgewogen. De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd is zo’n voorbeeld waarbij in voorkomende gevallen een voorschot op de AOW kan worden ontvangen. En die schuld moet vervolgens weer worden terugbetaald.
    De onderwerpen die het meest tot discussie zullen leiden – hypotheekrenteaftrek, de reiskostenvergoeding en de WW in combinatie met het ontslagrecht – zijn vooruitgeschoven naar Prinsjesdag. De nieuwe politieke verhoudingen die ontstaan na de verkiezingen op 12 september, zullen dan ook hierop van invloed zijn.
    Deze herfst zal moeten blijken welke voorstellen uit het Lenteakkoord uiteindelijk ook tot wetgeving verheven zullen worden.

     


    1) Ontleend aan bijlage bij brief staatssecretaris van Financiën van 25 mei 2012, kenmerk AFP/2012/302U