Voortijdig afkopen KEW mogelijk mét benutting uitkeringsvrijstelling

    20 februari 2013

    H. van Toledo is werkzaam bij de Belastingdienst, onder andere als lid van de Kennisgroep Verzekeringsproducten. In privé beheert Erik de website www.fiscaalleven.eu. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

    Als een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), een spaarrekening eigen woning (SEW) of beleggingsrecht eigen woning (BEW) tot uitkering komt vóórdat de minimumtermijn van 15 of 20 jaar premiebetaling is verstreken, is de afkopende partij in beginsel belasting verschuldigd over het rentebestanddeel in de uitkering. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ‘Wet herziening fiscale behandeling eigen woning’ heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst toegezegd dat in de beleidssfeer zal worden geregeld dat in een aantal specifieke situaties het vervroegd laten uitkeren van een KEW, SEW of BEW mét toepassing van de uitkeringsvrijstelling in box 1 mogelijk moet zijn. Aan deze toezegging is uitvoering gegeven in het besluit BLBK2012/1977M van 20 december 2012.

    Vooraf

    De rentecomponent in de uitkering uit een KEW, een SEW en een BEW (hierna gezamenlijk aan te duiden als KEW) is in beginsel progressief belast voor de heffing van inkomstenbelasting (IB). De rentecomponent wordt bepaald door het bedrag van de uitkering te verminderen met het totaal bedrag van de tot het uitkeringsmoment betaalde premies. Bedragen de betaalde premies meer dan het bedrag van de uitkering, dan is er niets belast.
    Onder strikte voorwaarden en tot bepaalde maxima is genoemde rentecompoment echter vrijgesteld van heffing van IB. Die vrijstellingsvoorwaarden zijn onder meer opgenomen om te waarborgen dat er de eigenwoningschuld mee wordt afgelost.
    De rente begrepen in de uitkering uit een KEW is niet belast voorzover de totale uitkering niet meer bedraagt dan € 157.000 (bedrag 2013) als cumulatief aan de in artikel 10bis.6, lid 1, Wet IB 2001 opgenomen voorwaarden wordt voldaan:

    1. de uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld (EWS);
    2. ter zake van de KEW zijn ten minste 20 jaar, of, indien het product tot uitkering komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks bedragen voldaan;
    3. de hoogste premie/inleg heeft niet meer bedragen dan het tienvoud van de laagste (bandbreedte-eis).

    Ingeval ter zake van de KEW ten minste 15 jaar jaarlijks bedragen zijn voldaan bedraagt de uitkeringsvrijstelling € 35.700 indien overigens aan de hiervoor opgesomde andere voorwaarden is voldaan.

    Tweede Kamerbehandeling wetsvoorstel

    Op het wetsvoorstel ‘Wet herziening fiscale behandeling eigen woning’ werd op 15 november 2012 een amendement ingediend (TK 33.405, nr. 17). Met dat amendement werd voorgesteld de tijdklemmen van 15 en 20 jaar volledig te laten vervallen. Het amendement beoogde daarmee uitkomst te bieden voor alle belastingplichtigen die in een moeilijke financiële situatie zitten en door de tijdklemmen niet bij hun eigen geld kunnen. Het amendement is in de verzekeringsbranche met gemengde gevoelens ontvangen. Niet iedere marktpartij wilde aan het volledig laten vervallen van de tijdklemmen. Het amendement werd dan ook ontraden door de minister voor Wonen en Rijksdienst. In zijn brief van 19 november 2012 kondigde die minister aan van plan te zijn om door middel van begunstigend beleid in een aantal specifieke gevallen een onbelaste vervroegde uitkering van beklemd kapitaal van een KEW mogelijk te maken. Dat laatste is gebeurd met het besluit BLKB2012/1977M van 20 december 2012.

    Versoepeling bij benutting KEW-vrijstelling

    Zoals hiervoor al is opgemerkt geldt op grond van de Wet IB 2001 dat in de situatie waarin een KEW vervroegd tot uitkering komt, dat wil zeggen tot uitkering komt voordat de geldende minimumtermijnen zijn verstreken, de afkoper IB is verschuldigd over de rentecomponent in de uitkering. Als de in totaal betaalde premie meer bedragen dan het bedrag van de uitkering c.q. afkoopsom, is er geen IB verschuldigd en wordt er geen KEW-vrijstelling benut. Afboeking op vrijstellingsbedragen behoeft dan ook in dat geval niet plaats te vinden.

    Verhuizen van eigen woning naar huurwoning

    Op grond van de Wet IB 2001 kon reeds vóór 1 januari 2013 gebruik worden gemaakt van de uitkeringsvrijstelling voor een KEW, terwijl niet wordt voldaan aan de voorwaarde van 15, dan wel 20 jaar premiebetaling (zie artikel 3.118, lid 2, onderdeel a, Wet IB 2001). Deze regeling is na 31 december 2012 blijven bestaan en is van toepassing in het geval iemand zijn eigen woning verkoopt en verhuist naar een huurwoning. Aan de bandbreedte-eis moet in die situatie wel worden voldaan. Dit is sinds 1 januari 2013 bepaald in artikel 10bis.6, lid 2, onderdeel a, Wet IB 2001.

    Versoepeling voor praktijk

    Met het besluit BLKB2012/1977M is voor de praktijk een versoepelende regeling gecreëerd op basis waarvan de voorwaarde van 15 dan wel 20 jaar premiebetaling ook vervalt in een aantal specifieke situaties waarbij men in financiële moeilijkheden verkeert en men geen andere optie voor handen heeft dan afkoop van de KEW. Het is goedgekeurd dat de zogenoemde ‘tijdklemmen’ vervallen in situaties:

    1. van echtscheiding of beëindiging van fiscaal partnerschap;
    2. waarin de verkoopprijs van de vorige woning onvoldoende is om de desbetreffende EWS volledig af te lossen; of
    3. waarin de belastingplichtige gebruik maakt van een vorm van schuldhulpverlening.

    Voorwaarden aan goedkeuring

    Als een KEW in één van de hiervoor genoemde situaties vervroegd tot uitkering komt en niet tenminste 15 of 20 jaar jaarlijks premies zijn voldaan, kan de hoge KEW-vrijstelling toch van toepassing zijn. Het maakt daarbij niet uit of sprake is van een gehele of gedeeltelijke afkoop. Aan de goedkeuring is wel een voorwaarde verbonden. Er moet namelijk wel worden voldaan aan de bandbreedte-eis en bovendien geldt dat de uitkering moet hebben gediend als aflossing van de eigenwoningschuld.

    Bezint eer ge afkoopt

    Het besluit biedt een welkome praktische regeling voor mensen die in financieel ‘onweer’ verkeren. Maar daarbij moet wel worden bedacht dat het - los van de fiscale gevolgen ervan - niet voor alle belastingplichtigen gunstig is om een KEW vervroegd te laten uitkeren. De kosten van zo’n spaarproduct worden namelijk meestal in het begin van de looptijd gemaakt, waardoor de premies pas aan het einde van de looptijd ten volle gaan renderen. Daarnaast geldt dat als men gebruik maakt van de geboden goedkeuring, men (een deel van) de uitkeringsvrijstelling benut. Dit betekent dat moet worden geïmputeerd op de diverse geldende vrijstelling(sbedrag)en. Hierop moet men zich vooraf goed beraden. Doet men dit niet, dan kan men voor onaangename verrassingen komen te staan.
    Ten slotte geldt dat als een belastingplichtige, met een beroep op de geboden goedkeuring, zijn KEW onbelast tot uitkering wil laten komen, hij aan de verzekeringsmaatschappij aannemelijk moet maken dat hij zich in een van de in het beleidsbesluit genoemde situaties bevindt. Een stukje van bewijsvoering dus.