Het stelsel van oudedagsvoorzieningen na 2020: een voorzet

    26 januari 2015

    Bij een blik in de toekomst voor verzekeringsmogelijkheden hoort ook een idee voor het stelsel van oudedagsvoorzieningen. Er gaan de laatste tijd steeds meer geluiden op om het stelsel te hervormen. De discussie wordt ook steeds weer door de overheid aangezwengeld. Op 29 augustus 2014 heeft staatssecretaris Kleinsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de aftrap gegeven voor “De Nationale Pensioendialoog”.
    In deze bijdrage zal ik een voorzet geven hoe het stelsel er naar mijn idee op hoofdlijnen uit zou moeten zien. Het is dus geen voorspelling hoe het stelsel er daadwerkelijk uit komt te zien.

    Inzicht versus zwart gat

    De wellicht grootste uitdaging die de pensioensector heeft, is het creëren van voldoende pensioenbewustzijn. Voor veel werknemers is pensioen iets waarover ze nauwelijks nadenken. En tot voor kort waren velen er nog van overtuigd dat zij bij pensionering nog wel 70% van het laatstverdiende loon zouden ontvangen. De financiële crisis heeft wat dat betreft velen wakker geschud, al is dat voor een groot deel de populatie die al met pensioen is, of niet ver meer van de pensioendatum af is.
    Naar mijn mening is betrokkenheid te stimuleren door deelnemers aan een pensioenregeling meer keuzevrijheid, invloed en verantwoordelijkheid te geven. De vorm van veel pensioenregelingen - zeker als het gaat om bedrijfstakregelingen - wordt bepaald door bereidheid van werkgevers om hierin te investeren zich erin te verdiepen, en mogelijkheden van de uitvoerders. Deelnemers weten dat ze pensioen opbouwen, maar eigenlijk verdwijnt het geld voor hen in een zwart gat. Van een begrip als dekkingsgraad hebben ze misschien wel gehoord, maar ze kunnen er niet veel mee.

    Collectief versus individueel

    Betrokkenheid is goed te creëren door de deelnemer zelf verantwoordelijk te maken voor zijn ‘pensioenpot’. Werknemers worden steeds meer geacht flexibel te zijn op de arbeidsmarkt. Pensioen ‘mee kunnen nemen’ is daarbij een niet onbelangrijk aspect. Natuurlijk kennen we momenteel het recht op waardeoverdracht, maar dat blijkt in de praktijk toch niet helemaal te werken zoals gewenst. Kijk bijvoorbeeld naar de belemmeringen die er zijn als de dekkingsgraad van het fonds niet voldoet of als niet binnen de wettelijke termijn een waardeoverdracht wordt aangevraagd. Dan kan de pensioenaanspraak niet zonder meer worden overgedragen. In feite moet de deelnemer altijd een recht op waardeoverdracht van zijn individuele aanspraak hebben. En daarbij volledig vrij zijn in de keuze van een aanbieder. Dat geeft de individuele deelnemer de mogelijkheid - maar ook de verantwoordelijkheid - te kiezen voor risico dan wel zekerheid. Maar bijvoorbeeld ook de mogelijkheid te kiezen voor uitvoerders en/of fondsen die maatschappelijk wenselijke investeringen doen of niet beleggen in wapenproducenten.
    Vraag blijft natuurlijk: kan de individuele deelnemer omgaan met die vrijheid? Dat is lastig te beantwoorden. Maar ik verwacht dat aanbieders wel zo slim zullen zijn om ook een beleggings- en spaartraject te bieden waaraan de deelnemer zonder al te veel eigen bemoeienis kan deelnemen. Maar dat is dan - wederom - de keuze van de deelnemer. Een variant hierop kan nog zijn om de deelnemer verplicht voor een bepaald minimum deel te laten deelnemen aan dit beleggings- en spaartraject en voor het resterende deel vrijheid te bieden.
    Een variant op die vraag is of deelnemers wel die vrijheid willen. Volgens twee onderzoekers wil zo’n 80% van de deelnemers dat zaken voor pensioen gewoon voor hen geregeld worden. 1) Dit punt is eventueel op te vangen door keuzevrijheid te bieden, waarbij een van de keuzes is … de uitvoerder alles te laten regelen.
    Toegegeven: dit is niet ideaal voor de betrokkenheid van de deelnemer, maar een verplichting tot volledige vrijheid gaat me vooralsnog te ver. Maar door de werknemer de keuzevrijheid te bieden - en ook met de mogelijkheid alles te laten regelen - is er in ieder geval een begin van pensioenbewustzijn. En die kan worden versterkt door bijvoorbeeld de uitvoerder elke vijf jaar de deelnemer te vragen of hij op dezelfde wijze wil doorgaan dan wel een verandering wil aanbrengen in die keuze.

    DC versus DB

    Uit het vorenstaande volgt wat mij betreft logischerwijs een keuze voor een bedrag dat de werkgever aan zijn werknemer ter beschikking stelt voor de pensioenopbouw (Defined Contribution) en niet een - min of meer - gegarandeerde uitkering (Defined Benefit). Het DB-stelsel lijkt moeilijk houdbaar te worden, zo is tijdens de recente crisis gebleken. Pensioengerechtigden worden geconfronteerd met kortingen waarop vrijwel niemand gerekend had. Bij eigen verantwoordelijkheid voor een eigen ‘pensioenpot’ kunnen onverwachte tegenvallers uiteraard niet voorkomen worden, maar staat de deelnemer zelf aan het roer, en mag van hem verwacht worden betrokken te zijn en zich meer bewust te zijn van de risico’s.
    En voor de wijze waarop een pensioendeelnemer met beleggen zou kunnen omgaan, verwijs ik naar het artikel van Corné van Zeijl.
    Ook in de vakliteratuur wordt in toenemende mate gepleit voor DC-regelingen. 2) Maar daarbij moet ook worden aangetekend dat nog lang niet iedereen overtuigd is van (individuele) DC-regelingen. 3) Wel wordt duidelijk dat de DB-regeling met doosneepremie haar langste tijd heeft gehad. Dat geluid is al bij de pensioenfondsen zelf - waar dit veel voorkomt - te beluisteren. 4)

    Garantie versus beleggen

    Garanties zijn momenteel eenvoudigweg duur. Dat laat onverlet dat een deelnemer hiervoor moet kunnen kiezen. Daar betaalt hij dan de prijs voor. Maar tijden kunnen ook veranderen. Bovendien moet een deelnemer in het zicht van de pensioendatum kunnen kiezen voor zekerheid. Hetzij door naar een garantiefonds over te stappen, hetzij door alvast pensioenuitkeringen aan te kopen. Niet op voorgeschreven momenten zoals nu, dat is te star en kan zelfs nadelige gevolgen voor de deelnemer hebben. Volledige vrijheid wat mij betreft, maar wel met een belangrijke voorlichtingsopdracht voor de uitvoerder. Die moet - naarmate de pensioendatum nadert - steeds frequenter de deelnemer informeren over de mogelijkheden en de risico’s. Met de huidige digitale mogelijkheden zou dat niet tot grote uitvoeringsproblemen mogen leiden.
    En een stap verder gaan moet ook (meer) bespreekbaar worden. En daarmee bedoel ik dat ook tot na de pensioendatum gewacht moet kunnen worden op betere resultaten voor de aankoop van pensioen. Dat is uiteraard niet risicoloos, maar het star vasthouden aan het feit dat pensioen vanaf de pensioendatum ‘vast en gelijkmatig’ moet zijn is wat mij betreft achterhaald. Dat de overheid wil dat uitkeringen met vast regelmaat worden uitgekeerd - de periodiciteit - is logisch en is wat mij betreft geen probleem. Maar een deel van het kapitaal uitstellen tot later datum, biedt veel meer mogelijkheden tot verbetering van het pensioen (en daarmee uiteindelijk ook voor de schatkist).

    Tussenstand

    Op basis van het vorenstaande is mijn pleidooi de individuele deelnemer volledig verantwoordelijk te maken voor zijn pensioen. Hij krijgt de financiële middelen ter beschikking gesteld van zijn werkgever (DC dus), maar hoe hij de pensioenregeling vormgeeft en bij welke uitvoerder hij de middelen onderbrengt, is geheel aan de deelnemer zelf. Deelnemers moeten daarbij de mogelijkheid krijgen de uitvoering (regeling, beleggingskeuzes) volledig in handen te geven van de door hen gekozen uitvoerder.

    PW versus loonbelasting?

    De Pensioenwet (PW) zorgt voor de broodnodige bescherming van het pensioen van de werknemer/deelnemer. Soms wellicht meer dan de deelnemer lief is. Maar wat mij betreft houden we die bescherming in stand, zij het met enige nuances.

    Afkoopverbod

    Op de eerste plaats mogen er geen tegenstrijdigheden meer blijven bestaan met de loonbelasting. Een voorbeeld is - hoe vreemd het wellicht ook klinkt - het rigide afkoopverbod. Het afkoopverbod dient te voorkomen dat een deelnemer het pensioengeld eerder opneemt waardoor er op enig moment te weinig of geen pensioenuitkering meer zal zijn. Als een deelnemer een handeling verricht die niet is toegestaan volgens de Wet op de loonbelasting 1964 zoals afkoop, moet belasting en revisierente worden betaald. Echter, de uitvoerder mag die loonheffing niet ten laste brengen van het pensioenkapitaal. De PW staat afkoop niet toe tenzij sprake is van een in de wet genoemde uitzonderingen. Betaling van belastingheffing ineens (omdat de pensioentoezegging niet langer voldoet) vanuit het kapitaal behoort niet tot die uitzonderingen.
    Wat is er op tegen om dat wel te doen en vervolgens met het resterende kapitaal netto pensioenuitkeringen aan te kopen? De Nederlandse staat krijgt de verschuldigde belasting, de uitvoerder hoeft de loonbelasting niet voor te financieren, en de deelnemer krijgt netto pensioen, dat waar hij recht op heeft. De bescherming schiet op dit punt naar mijn mening zijn doel voorbij.
    Probleem hierbij is dat de PW en de loonbelasting de verantwoordelijkheid zijn van verschillende ministeries, en er niet goed wordt samengewerkt.

    Emigratie

    Een ander punt dat al jaren voor veel praktische problemen bij beschikbarepremieregelingen zorgt, is de wet- en regelgeving rondom emigratie. En dan doel ik met name op deelnemers die al geëmigreerd zijn en met hun geëxpireerde pensioenkapitaal een pensioenuitkering moeten aankopen. Zij zijn op het moment van aankoop niet woonachtig in Nederland, en het contractrecht van de woonstaat is van toepassing. De Nederlandse uitvoerder heeft geen of niet voldoende kennis van het buitenlands recht en zal dan geen verzekeringsovereenkomst afsluiten. 5) Dan moet het een toegestane buitenlandse uitvoerder worden, maar die blijken schaars te zijn. Ten slotte is er nog de mogelijkheid dat Nederlandse uitvoerders zich laten notificeren in het buitenland. Dat moet per land gebeuren. Maar slechts weinig uitvoerders zetten die stap. Reden hiervoor is dat zij dan in een voor hen onbekend rechtssysteem gaan acteren, met alle onzekerheden van dien.
    Vervolgens kan de deelnemer geen kant op. Doordat hij geen pensioenuitkering kan aankopen, verstrijkt de zogenoemde redelijke termijn voor aankoop van de pensioenuitkering, en moet de waarde van de pensioenaanspraak worden belast en betaalt de deelnemer ook nog eens (20%) revisierente. Maar de uitvoerder mag die belastingheffing weer niet verrekenen met het kapitaal, zodat het hiervoor beschreven probleem ontstaat. Afkoop is op grond van de PW niet toegestaan. 6) Maar afkoop zou ook niet de oplossing moeten zijn, wat mij betreft.
    Mijn pleidooi is om de deelnemer toe te staan gewoon in het land waar het pensioen is opgebouwd, een uitkering aan te kopen. Hier is wellicht meer voor nodig dan de eenvoud die deze oplossing uitstraalt. Maar in een Europa waar vrij verkeer van personen wordt gepropageerd, mogen dit soort belemmeringen niet blijven bestaan.
    Ook bij lijfrenten speelt dit probleem, maar daarbij heeft de gerechtigde nog de mogelijkheid af te kopen. Maar dat heeft een hoge prijs: veelal 52% belasting en 20% revisierente. Daarom zou wat mij betreft voor lijfrente dezelfde oplossing moeten gelden als bij pensioen.

    Pensioen versus lijfrente?

    Een van de grootste knelpunten wat mij betreft zit met name in de fiscaliteit zelf. En dan doel ik op het verschil in fiscale behandeling op diverse punten.

    Opbouwpercentages/staffels

    Het meest opvallende knelpunt is het voor mij onverklaarbare verschil tussen pensioenopbouwpercentages en -staffels enerzijds, en het vaste percentage voor lijfrente (in 2014 15,5% van de grondslag, ongeacht de leeftijd) anderzijds. Dat levert grote - en onnodige - verschillen op.

    Voorbeeld
    Frans Wilthuis is 51 jaar oud en bouwt bij zijn werkgever geen pensioen op. Hij kan dan via een lijfrente een oudedagsvoorziening opbouwen en mocht in 2014 15,5% van zijn premiegrondslag inleggen. Zou hij een pensioenregeling op basis van beschikbare premie hebben gehad, dan had hij 25,1% 7) van de grondslag kunnen inleggen.

    Dit verschil is heel eenvoudig op te lossen. Hanteer voor lijfrente exact dezelfde staffel(s) als bij pensioen! Dan kunnen werknemers zonder (optimale) pensioentoezegging, maar ook ZZP-ers gewoon in de lijfrentesfeer een gelijkwaardige oudedagsvoorziening regelen als werknemers die wel een optimale pensioenregeling hebben. We hoeven dan ook geen ingewikkelde oplossingen meer te bedenken om ZZP-ers ook een volwaardige oudedagsvoorziening te laten treffen. Dat kan dan gewoon via de gelijkwaardige lijfrentesfeer, met alle keuzemogelijkheden qua uitvoerder bovendien.
    En dan de staffels zelf. Die zijn veel te rigide vastgesteld op basis van een 4%-rekenrente. 8) Wil de beschikbare premie - en dus ook een individueel systeem - echt een vlucht nemen, dan is het noodzakelijk om van reëlere rekenrentes uit te gaan. Je moet in de buurt komen van een premie die ook verzekeraars/pensioenfondsen in rekening (zouden) brengen. Dus ook de rekenrente hanteren die daar bij hoort. Dan kom je op dit moment eerder uit op een rekenrente rond de 2%. En die rekenrente zou je ook periodiek moeten kunnen bijstellen. Meest praktisch is wellicht eens in de vijf jaar. Dat sluit ook aan bij veel contractduren. Maar dat heeft als nadeel dat minder goed op veranderingen in de rekenrente kan worden ingesprongen. Met alle opeenvolgende wijzigingen - met name de oplopende pensioenleeftijd - is een zekere flexibiliteit toch vereist. Dan kan dit aspect ook flexibel worden ingevuld.

    Grondslag

    Opvallend verschil tussen pensioen en lijfrente is dat bij pensioen de auto niet tot de grondslag voor pensioenopbouw mag worden gerekend en bij lijfrente wel. Het waarom is in nevelen gehuld. Trek linksom of rechtsom dezelfde lijn, zou ik zeggen. Als dat betekent dat de auto ook niet meer tot de grondslag voor lijfrente mag worden gerekend vanwege budgettaire aspecten, is dat misschien jammer. Maar de huidige ongelijkheid dient geen doel.

    Inhaal/inkoop

    Een ander opvallend verschil betreft de ongelijkheid in mogelijkheden tot inhaal/inkoop van tekorten in de oudedagsvoorziening uit het verleden.
    Bij pensioen is het - onder voorwaarden - mogelijk om eventuele tekorten in de pensioenopbouw bij de werkgever voor de gehele diensttijd bij die werkgever in te halen. En het is zelfs - eveneens onder voorwaarden - mogelijk tekorten in de pensioenopbouw uit eerdere dienstverbanden in te kopen. 9)
    Bij lijfrente kan een belastingplichtige via de inhaalruimte het tekort aan oudedagsvoorziening voor maximaal zeven jaar inhalen. Op zich is dat verklaarbaar door de (beperkte) controlemogelijkheden voor de Belastingdienst. Maar met de ontwikkeling van het nationale Pensioenregister en de toegenomen digitalisering zou hierin verandering kunnen worden gebracht. Inmiddels is veel informatie inzake oudedagsvoorzieningen ingevoerd het Pensioenregister. Door deze ook toegankelijk te maken voor de Belastingdienst, is een deel van de problematiek al te ondervangen.
    Een stap verder zou ook mogelijk moeten zijn. Door samenwerking tussen Pensioenregister en Belastingdienst zou ook jaarlijks standaard berekend kunnen worden welk tekort een belastingplichtige heeft. Maak dat inzichtelijk bij het Pensioenregister en iedereen weet wat de mogelijkheden zijn, waardoor de werkenden deze tekorten ook eerder zullen aanvullen.

    Uitkeringsvormen en maximum

    Hoewel de verschillen in uitkeringsvormen door de versoberingen op pensioenterrein al kleiner zijn geworden, zijn de vormen niet identiek. Om die gelijkheid wel te bereiken, ligt het voor de hand om de tijdelijke oudedagslijfrente te vervangen door de mogelijkheid de lijfrenteuitkeringen te variëren binnen de bandbreedte 100:75, net als bij pensioen.
    Voor de lijfrente zou dan ook als norm op pensioeningangsdatum een maximum van 100% van het laatstgenoten loon gehanteerd moeten worden. Een eventueel overschot wordt dan direct in de belastingheffing betrokken (maar blijft wel voor de verzekerde).

    Hoe nu verder?

    Diverse zaken die ik hierboven heb aangegeven, zijn relatief eenvoudig en op korte termijn te realiseren. Dat geldt in ieder geval voor de (fiscale) verschillen in behandeling tussen lijfrente en pensioen. Ook voor het (civiel-juridische) afkoopverbod kan op korte termijn een oplossing worden bedacht.
    En voor het stelsel zou ik willen pleiten voor meer individualisering (vanwege het pensioenbewustzijn) en een stelsel gebaseerd op beschikbare premie. Dat laatste omwille van de betaalbaarheid maar ook een deel pensioenbewustzijn. Maar dan moeten de beschikbare premiestaffels op reëlere rente worden gebaseerd en zonder toetsmomenten (behoudens de pensioendatum) zoals we die nu kennen bij een 3%-rekenrentestaffel.

    1) Harry van Dalen, Kène Henkens, “Goedkope praatjes over keuzevrijheid in pensioen”, Me Judice, 6 november 2014
    2) Zie bijvoorbeeld: ‘Tien voorstellen voor stimulering markt DC-regelingen’ van Patrick Heisen en Bastiaan Starink, Pensioen Magazine, april 2014, p. 21 - 25, en ‘Beschikbare premieregeling beter dan toegezegde uitkeringsregeling’ van Jeroen Tuijp, Pensioen & Praktijk april 2014, p. 19 - 22, en ‘Breng balans terug in stelsel van pensioenen’, Jan-Olivier Kuijkhoven, FD 9 juli 2013
    3) Zie bijvoorbeeld ‘Pensioenen na de grote recessie: einde intergenerationele risicodeling?’ van
    Jan Bonenkamp en Ed Westerhout, tpedigitaal.nl
    4) Interview in Financieel Dagblad met Peter Borgdorff, directeur Pensioenfonds Zorg en Welzijn, 5 november 2014
    5) Dit probleem speelt met name bij beschikbarepremieregelingen. Bij DB-regelingen staat de uitkering al vast en hoeft die dus niet meer door de deelnemer te worden aangekocht op de pensioendatum.
    6) Behoudens afkoop klein pensioen, art. 66 en 67 PW
    7) Dit percentage is afkomstig uit staffel IV met een rekenrente van 3% (geldig in 2014)
    8) Drie procent rekenrente is onder (veel) te stringente voorwaarden ook mogelijk
    9) Zie voor de voorwaarden: Handreiking inhaal en inkoop van pensioen (versie 9 juli 2014)