Een goed advies … (Jaarverslag KiFiD 2012)

    24 juni 2013

    Het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFiD) heeft haar jaarverslag over 2012 gepubliceerd. In het verslag zijn een paar door de Geschillencommissie (‘’Commissie’’) behandelde klachten uitgelicht. Twee klachten van die klachten wil ik hier onder de aandacht brengen.

    Passendheid advies en informatieverstrekking over gevolgen overlijden

    Deze uitspraak gaat over het advies van een tussenpersoon over een uitkerende lijfrenteverzekering aan ‘’mevrouw X”. Bij de tussenpersoon was bekend dat mevrouw X aan MS leed, als alleenstaande voor een dochter van 7 jaar zorgde, een zwaar gehandicapte ex-echtgenoot had, geen reëel uitzicht had op werk, niet over een inkomen beschikte en zou moeten leven van belegd vermogen. De tussenpersoon adviseert om een deel van het vermogen waarover mevrouw X beschikte te gebruiken voor een uitkerende lijfrente voor de duur van 10 jaar, indien en zolang mevrouw X in leven was. De verzekering wordt conform dit advies afgesloten. Mevrouw X maakt geen gebruik van de in het aanvraagformulier geboden mogelijkheid om een aanvullende verzekering af te sluiten die bij haar overlijden voorziet in een uitkering aan haar nabestaanden. Ook is er geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een tweede begunstigde en/of verzekerde aan te wijzen. Tijdens de looptijd van de verzekering overlijdt mevrouw X. De verzekeraar staakt daarop de lijfrente uitkeringen.
    De erfgenamen dienen een klacht in bij de Commissie en stellen dat de tussenpersoon zijn zorgplicht heeft geschonden, omdat aan mevrouw X een onjuist advies is gegeven en aan haar onvoldoende informatie is verstrekt.
    De Commissie stelt als norm dat de tussenpersoon de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Zij oordeelt dat het advies van de tussenpersoon om een lijfrenteverzekering voor 10 jaar af te sluiten niet passend is geweest. De Commissie komt met name tot dit oordeel, omdat ‘’de geadviseerde lijfrenteverzekering in termen van zekerheid en rendement ten opzichte van een spaarproduct geen relevante meerwaarde had, maar dat deze, anders dan een spaarproduct, wel een belangrijk extra risico kende, te weten het verlies van de hoofdsom bij vooroverlijden. Dit risico was juist in het geval van mevrouw X zeer relevant, gelet op de leeftijd van de dochter en het feit dat zij alleen voor de dochter zorgde, geen uitzicht op alternatief inkomen bestond en in dat opzicht ook van de vader niets te verwachten viel.’’
    De Commissie oordeelt verder dat het vanwege de genoemde omstandigheden op de weg van de tussenpersoon lag om “mevrouw X uitdrukkelijk en in niet mis te verstane bewoordingen op de nadelige aspecten van de lijfrenteverzekering te wijzen, mede in vergelijking met het alternatief van een spaarvorm, en zich ervan te vergewissen dat mevrouw X zich van die nadelen bewust was voordat zij besloot de lijfrenteverzekering af te sluiten”. De Commissie gaat ervan uit dat mevrouw X bij een juist advies niet voor een lijfrenteverzekering zou hebben gekozen, maar voor een product waarbij de belegde som ook bij overlijden voor haar dochter beschikbaar zou blijven. Aan de erfgenamen wordt een schadevergoeding toegekend ter grootte van de contante waarde van de vanwege het overlijden van mevrouw X nog niet uitgekeerde lijfrentetermijnen, vermeerderd met de wettelijke rente.
    (Geschillencommissie van het KiFiD,25 januari 2012, nr.2012-23)

    Informatieverstrekking over kosten

    In deze zaak stelt de Consument ondermeer dat door de tussenpersoon onvoldoende informatie is gegeven over (de hoogte van) de kosten van de verzekering. 
    Het geschil betreft volgens de Commissie ‘’in de kern de vraag of Aangeslotene bij de advisering en informatieverstrekking in het kader van de totstandkoming van de Verzekeringen de zorg heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantiepersoon verwacht mag worden.”
    Om te beoordelen of de tussenpersoon aan zijn zorgplicht heeft voldaan, toetst de Commissie aan de wet- en regelgeving en de maatschappelijke opvattingen die golden ten tijde van de totstandkoming van de verzekering. De Commissie oordeelt: “Hoewel deze informatie naar de thans geldende maatstaven niet voldoende zou zijn, omdat de hoogte van de kosten niet uitdrukkelijk en afzonderlijk werden gemeld is de Commissie van oordeel dat de verstrekte informatie voldeed aan de destijds geldende maatschappelijke opvattingen (..)”. In dit geval stelt zij vast dat de tussenpersoon aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Verder geeft de Commissie aan dat het haar niet is gebleken dat de tussenpersoon zich onvoldoende heeft verdiept in de persoonlijke situatie van de cliënt. “Hiernaast komt het in het onderhavige geval gegeven advies tot het sluiten van de Verzekeringen de Commissie niet als niet passend voor.” De Commissie wijst de vorderingen van de Consument af.
    (Geschillencommissie van het KiFiD, 7 november 2012, nr. 2012-317)

    Commentaar

    In beide uitspraken toetst de Commissie of de tussenpersoon de zorg heeft betracht die van een redelijk handelend en bekwaam assurantietussenpersoon verwacht mag worden.
    Zoals blijkt uit de eerste hiervoor weergegeven uitspraak, moet de tussenpersoon in dat verband ondermeer zorgen dat zijn advies aansluit bij de door hem ingewonnen en kenbare informatie over de persoonlijke omstandigheden van zijn cliënt. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen een verplichting met zich brengen om de cliënt nadrukkelijk en in niet mis te verstane bewoordingen te wijzen op de nadelige eigenschappen van een product in vergelijking tot een alternatief product. In dat geval moet de tussenpersoon zich ervan gewissen dat de cliënt zich van de nadelen van het product bewust is voordat de cliënt besluit het product af te sluiten.
    Ten aanzien van de informatie die de tussenpersoon in het kader van zijn zorgplicht aan cliënten moet verstrekken, komt uit de tweede uitspraak naar voren dat de Commissie in dat verband toetst of voldaan is aan de wet- en regelgeving en de maatschappelijke opvattingen zoals die golden ten tijde van de totstandkoming van de verzekering. En dat is terecht. Het doet meer recht aan de zaak, dan wanneer met ‘’de bril van vandaag’’ zou zijn gekeken, zoals door andere instanties wel is gedaan.