De (on)mogelijke oplossingen voor Witteveen 2015

    25 juni 2014

    Nu de wetsvoorstellen om de pensioenopbouw verder te verlagen en af te toppen 1) (hierna: Witteveen 2015) op 27 mei jl. door de Eerste Kamer zijn aangenomen, wordt het tijd om de gevolgen daarvan per 1 januari 2015 op een rij te zetten. Nog interessanter is het om ook de (on)mogelijkheden onder de loep te nemen om deze gevolgen te repareren. Ik neem u mee bij elk van deze (on)mogelijkheden en trek bij elke (on)mogelijkheid enige conclusies. Verder ga ik in op de plannen om de nettolijfrente in de tweede pijler onder te brengen en betrek ook deze bij mijn eindconclusie.

    De hoofdrolspelers: Lodewijk, Simone en Herman

    In dit artikel staan de ‘maatmensen’ Lodewijk, Simone en Herman centraal. Zij zijn allen werknemers van InfraTex B.V., een middelgrote onderneming in de ITC-branche.
    - Lodewijk is 50 jaar en commercieel directeur. Zijn bruto jaarloon bedraagt € 130.000;
    - Simone is 40 jaar en systeemarchitect. Haar bruto jaarloon bedraagt € 75.000;
    - Herman is 30 jaar en applicatiebeheerder. Zijn bruto jaarloon bedraagt € 35.000. 

    De pensioenregeling van InfraTex B.V.

    In 2014 heeft het bedrijf een beschikbare premieregeling. De fiscaal minimale franchise van € 13.449  is van toepassing. De pensioenleeftijd is 67 jaar. Alle loonbestanddelen die pensioengevend mogen zijn, zijn pensioengevend en er geldt geen werknemersbijdrage. De volgende premiestaffel is van toepassing:

    Bovenop de beschikbare premie is een fiscaal maximaal nabestaandenoverbruggingspensioen toegezegd.

    Ik heb als voorbeeld een zuivere beschikbare premieregeling genomen. In tegenstelling tot een eindloon- en middelloonregeling speelt daarbij het tarief van de uitvoerder bij het vaststellen van de pensioenpremie in een jaar geen rol. De gevolgen van Witteveen 2015 werken tenminste hetzelfde door bij eindloon- en middelloonregelingen.

    Beschikbare premie per jaar in 2014

    Op grond van bovenstaande pensioenregeling bedraagt de beschikbare premie per jaar:

    De gevolgen van Witteveen 2015 voor de pensioenregeling van InfraTex B.V.

    In 2015 zijn de lonen met 2% gestegen, er geldt een franchise van € 13.718 3) en een grens van
    € 100.000 waarboven de pensioenopbouw wordt afgetopt.
    Per 1 januari 2015 geldt de volgende premiestaffel:

    Beschikbare premie per jaar in 2015

    Op grond van bovenstaande pensioenregeling bedraagt de beschikbare premie in 2015 per jaar:

    Ten opzichte van de beschikbare premie per jaar in 2014 betekent dit een achteruitgang van:

    Waar de werkgever voor deze drie werknemers in 2014 in totaal nog een beschikbare premie van € 31.569 per jaar betaalde, is dit in 2015 nog  € 23.023 per jaar. Een daling van de pensioenlasten met
    € 8.546 (-28%) per jaar.

    Mogelijke oplossingen per 2015 voor de lagere pensioenopbouw

    Wanneer ik de oplossingen om de lagere pensioenopbouw te repareren op een rij zet en hierbij als volgorde de mate van fiscale facilitering aanhoud, dan kom ik tot de volgende mogelijkheden:

    1. Optimaliseren van de huidige pensioenregeling
    2. Bruto lijfrente (aftrekbaar op grond van jaarruimte)
    3. Nettolijfrente in de derde pijler
    4. Nettolijfrente in de tweede pijler (nog geen wetgeving)
    5. Netto sparen of beleggen in box 3

    De mogelijkheden 1 tot en met 3 en 5 zijn nu al van kracht of worden dit met ingang van 1 januari 2015. Bij mogelijkheid 4 is sprake van ‘onderhanden wetgeving’.

    Mogelijkheid 1: Optimaliseren van de huidige pensioenregeling

    Voor deze oplossing is het nodig dat de pensioenovereenkomst tussen werkgever en werknemer wordt aangepast. Het optimaliseren van de huidige pensioenregeling kan door aanpassing  van de huidige regeling, maar het kan ook door middel van een pensioenaanvullingsregeling.
    De oplossing geldt  niet alleen voor Lodewijk, Simone en Herman, maar - uitzonderingen in de vorm van apart gedefinieerde deelnemersgroepen daar gelaten - voor alle deelnemers in de pensioenregeling.
    Ook geldt deze mogelijkheid  in beginsel alleen voor verzekerde regelingen. Op pensioenregelingen die bij fondsen zijn ondergebracht, ga ik in dit artikel niet in.

    a. Optimalisering van de franchise

    Het fiscale kader is per 1 januari 2015 gericht op een in 40 jaar op te bouwen ouderdomspensioen van ten hoogste 75% van het gemiddelde loon. De pensioenopbouw bedraagt daardoor in een middelloonstelsel maximaal (75/40 =) 1,875% per dienstjaar. In een eindloonstelsel is dit 1,657% per dienstjaar. Het gewijzigde fiscale kader is ook van invloed op de hoogte van de AOW-franchise. Wanneer de jaarlijkse AOW-inbouwmethode 5) wordt vertaald naar de franchisemethode, ontstaan twee fiscaal minimale AOW franchises 6):

    1. voor een pensioenregeling volgens het middelloon- of beschikbarepremiestelsel bedraagt de fiscaal minimale franchise € 12.804 7). Dit is 100/75 maal de enkelvoudige AOW voor een gehuwde (inclusief vakantietoeslag);
    2. voor een pensioenregeling volgens het eindloonstelsel bedraagt de fiscaal minimale franchise € 14.488. Dit is 100/66,28 (40 x 1,657%) maal de enkelvoudige AOW voor een gehuwde (inclusief vakantietoeslag.

    In beide gevallen heb ik de AOW-bedragen die in 2014 gelden met 2% geïndexeerd. 8)
    Voor het optimaliseren van de franchise ga ik er van uit dat de fiscaal minimale AOW-franchise van
    € 12.804 voor de gehele regeling geldt.

    b. Optimalisering van de jaarlijkse opbouw

    Zonder het karakter van de pensioenregeling aan te tasten, kan de toezegging worden aangepast zodat deze wordt gebaseerd op een staffel met een rekenrente van 3%. In dat geval is de volgende premiestaffel van toepassing:

    Het gevolg is dat ook de voorwaarden die gelden bij een 3% rekenrentestaffel van toepassing zijn. Zo zal op eventmomenten (zoals uitdiensttreding, expiratie, echtscheiding) moeten worden getoetst of het pensioen binnen de fiscale begrenzing blijft (voor de aanwezige reserve kan ten hoogste een fiscaal maximaal middelloonpensioen worden aangekocht) en zal een eventueel overschot verplicht vervallen aan de uitvoerder. 9) Het pensioenreglement moet op deze punten dan ook worden aangepast.

    c.  Optimalisering van het pensioengevend loon

    Alle loonbestanddelen, zowel vast als variabel, maken al deel uit van het pensioengevend loon. Een verdere optimalisering is in dit voorbeeld niet mogelijk.

    d.  Optimalisering van de pensioensoorten

    Een fiscaal maximaal nabestaandenoverbruggingspensioen is reeds toegezegd. Toezegging van een arbeidsongeschiktheidspensioen is niet aan de orde.
    Na optimalisering van de bestaande pensioenregeling bedraagt de beschikbare premie in 2015 per jaar:

    Voor de werkgever betekent dit een voor deze drie werknemers te betalen beschikbare premie van in totaal €  31.336. Dit is vrijwel net zo veel als de in 2014 voor deze drie werknemers betaalde premie van € 31.569.

    Conclusies optimalisering van de huidige pensioenregeling

    Voor de oplossing om de verminderde pensioenopbouw te repareren met het optimaliseren van de bestaande pensioenregeling geldt:

    • dat dit in een verzekerde regeling door de werkgever kan worden aangeboden;
    • dat dit leidt tot een nieuwe pensioenregeling die volledig als pensioen gefaciliteerd blijft;
    • dat dit gunstig is voor alle werknemers;
    • dat dit relatief het meest gunstig is voor jongere werknemers met een laag pensioengevend loon;
    • dat dit alleen effect heeft voor de pensioenopbouw tot de aftoppingsgrens;
    • dat dit een gunstig effect heeft op zowel ouderdoms- als nabestaandenpensioen;
    • dat dit wel moet kunnen worden uitgevoerd door de pensioenuitvoerder.

    Mogelijkheid 2: Bruto lijfrente

    Lijfrentevormen en fiscale voorwaarden

    Bij deze oplossing sluit de werknemer in zijn hoedanigheid als privé persoon een lijfrenteovereenkomst waarvan de premie/inleg volgens de berekening van de jaarruimteformule aftrekbaar is. De werknemer betaalt de premie/inleg vanuit zijn privé vermogen (betaalrekening). Vervolgens is de premie/inleg via de aangifte inkomstenbelasting aftrekbaar in box 1 in het jaar van betaling. De uitvoerder geeft de betaalde premie/inleg op aan de Belastingdienst. De werknemer moet een fiscaal toegestane lijfrente sluiten. 10)
    De uitvoerder houdt te zijner tijd op de uitgekeerde lijfrentetermijnen loonheffing in. Hierbij geldt het progressieve schijventarief van box 1. In box 1 gelden vóór en na de AOW-leeftijd verschillende tariefpercentages in de eerste twee schijven. Het is dus mogelijk dat de lijfrentepremie/-inleg tegen een hoger tarief is afgetrokken dan waartegen de lijfrentetermijnen worden belast. Hierdoor bestaat mogelijk belastingvoordeel. Als het tarief op het moment van aftrek gelijk is aan het tarief op het moment van uitkeren, dan is in ieder geval bereikt dat het moment waarop belasting wordt geheven is uitgesteld. De premie/inleg voor een lijfrente volgens de jaarruimte kan slechts worden afgetrokken als de belastingplichtige in het jaar van aftrek de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt.
    Voor de erfbelasting geldt voor de partner dat de helft van de waarde van de bruto lijfrente in mindering wordt gebracht op de partnervrijstelling (in 2014: € 627.367). 11) Er gelden regels voor het bepalen van de waarde van de bruto lijfrente. 12) Van de partnervrijstelling blijft na deze zogenaamde ‘imputatie’ echter altijd een minimumbedrag over (in 2014: € 162.071).13)

    De jaarruimteformule voor het berekenen van de hoogte van de lijfrenteaftrek luidt in 2015:

    (13,8% x (PrG – € 11.829)) – (6,5 x A) – F

    Hierbij is de premiegrondslag (PrG) afgetopt op € 100.000.
    De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag in 2014 van de winst uit onderneming (vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek), het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen.
    Voor de berekening van de lijfrenteaftrek over het jaar 2014 is bepaald dat de waardeaangroei van ouderdomspensioen (factor A) in 2013 vermenigvuldigd mag worden met de factor 35/37 . Dit vanwege de op grond van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) per 1 januari 2014 verlaagde pensioenopbouw. Ik ben er van uitgegaan dat voor de waardeaangroei van ouderdomspensioen in 2014 vanwege de inwerkingtreding van Witteveen 2015 per 1 januari 2015 eenzelfde maatregel zal gelden. De door mij hierbij gehanteerde factor is gebaseerd op de nieuwe en de oude ‘middelloonnorm’ en bedraagt  75/79,55 (37 x 2,15%).
    Wanneer de pensioenregeling zoals eerder aangegeven is geoptimaliseerd, dan bedraagt de lijfrenteaftrek per 1 januari 2015:

    De mogelijkheid om niet gebruikte jaarruimte alsnog te benutten (reserveringsruimte) is door mij buiten beschouwing gelaten.

    Conclusies bruto lijfrente

    De oplossing om de verminderde pensioenopbouw bij een geoptimaliseerde pensioenregeling  met een bruto lijfrente te repareren heeft geen of een beperkte werking:

    • gezien de uitkomsten is een bruto lijfrente geen oplossing die zoden aan de dijk zet;
    • een bruto lijfrente is geen oplossing voor de verminderde pensioenopbouw boven de aftoppingsgrens;
    • een bruto lijfrente is geen oplossing die door de werkgever kan worden aangeboden;
    • een bruto lijfrente is een fiscaal minder gunstige manier om een tekort in de nabestaandenvoorziening te repareren. Bij een nabestaandenlijfrente weegt het voordeel van een aftrekbare premie immers meestal niet op tegen het belastbaar zijn van de lijfrentetermijnen;
    • naar verwachting wordt de formule voor de jaarruimte verder aangepast, waardoor de jaarruimte verder afneemt en de aftrek voor de bruto lijfrente steeds minder wordt.

    Mogelijkheid 3: Nettolijfrente in de derde pijler

    De nettolijfrente in de derde pijler is een nieuwe mogelijkheid om per 1 januari 2015 de verminderde pensioenopbouw te repareren. Voor de premiegrondslag gelden dezelfde componenten als bij de bruto lijfrente, alleen geldt bij de nettolijfrente de aftoppingsgrens (2015: € 100.000) als minimum.
    Voor het bepalen van de premie/inleg voor de netto lijfrente geldt de volgende premiestaffel 14):

    Hierbij moet ik een voorbehoud maken, want de staatssecretaris heeft nog slechts aangekondigd het voornemen te hebben om staffel 4 als uitgangspunt te nemen. 15) Hierbij geldt niet de voorwaarde van het hebben van een partner. Daarnaast is onbekend of door vermenigvuldiging met de ‘nettofactor’ 0,48 op één of twee decimalen moet worden afgerond.

    De rol van de werkgever en de werkgeversbijdrage

    De werkgever speelt verder bij de netto lijfrente geen rol. Hooguit kan hij, vanuit zijn positie van contractant van de pensioenregeling of als ‘sterke partij’, een collectief gunstige regeling bij de pensioenuitvoerder (mits dit een verzekeraar is) of een andere toegestane uitvoerder (een bank of verzekeraar) bedingen. Dit laatste kunnen de werknemers echter ook, als zij zich als een collectief presenteren.
    Als de werkgever een bijdrage geeft aan een werknemer die een nettolijfrente sluit, dan is verplicht  dat hij ook aan andere werknemers met een loon boven de aftoppingsgrens deze bijdrage geeft. In beide gevallen wordt deze bijdrage fiscaal gezien als loon. Omdat de premie voor de nettolijfrente leeftijdsafhankelijk is vastgesteld, ga ik er van uit dat de bijdrage aan een niet-deelnemende werknemer ook leeftijdsafhankelijk kan worden verstrekt. Hoewel dit fiscaal geen probleem is, ben ik benieuwd welke vraagstukken dit op het gebied van gelijke behandeling zal oproepen.

    Lijfrentevormen en fiscale voorwaarden

    De premie voor de nettolijfrente is niet aftrekbaar en wordt door de werknemer betaald vanuit het netto loon. De waarde van de nettolijfrente is gedurende de looptijd vrijgesteld in box 3. Als de algemene vrijstelling in box 3 al volledig is benut,  dan levert de extra vrijstelling in box 3 per saldo een voordeel op van (30% x 4% =) 1,2% per jaar. De uitvoerder keert de lijfrentetermijnen te zijner tijd zonder inhouding van loonheffing uit. In de erfbelasting geldt dezelfde regeling voor de nettolijfrente als voor de bruto lijfrente (imputatieregeling).
    Voor de nettolijfrente gelden ook dezelfde fiscaal toegestane lijfrentevormen en uitvoerders als bij de bruto lijfrente. Bij voortijdige opname (afkoop) vervalt de vrijstelling in box 3. Het is de bedoeling dat deze sanctie wordt verzwaard, zodat de vrijstelling forfaitair met 10 jaar terugwerking komt te vervallen, waarbij 50% van het saldo in aanmerking wordt genomen. 16) Deze sanctie gaat niet gelden bij emigratie. Ik merk hierbij op, dat revisierente bij voortijdige opname niet aan de orde is.
    Net als bij een bruto lijfrente zal de uitvoerder van een nettolijfrente gegevens moeten opgeven aan de Belastingdienst. Welke gegevens dit zijn, is nog onbekend, maar het is aannemelijk dat het ook hierbij gaat om de verschuldigde premie/inleg en eventuele voortijdige opnames. In ieder geval geldt voor de uitvoerder dat ook voor de nettolijfrente een renseigneringsadministratie aanwezig moet zijn.
    Tot slot is van belang dat de nettolijfrente in de derde pijler niet onder de werking van de Pensioenwet valt. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld ook ondernemers (inclusief zzp’ers) met een inkomen boven de aftoppingsgrens gebruik maken van deze faciliteit. 
    Lodewijk is de enige maatmens die gebruik kan maken van de nettolijfrentefaciliteit.
    De maximaal te betalen premie/inleg voor de nettolijfrente bedraagt:

    Conclusies nettolijfrente

    Bij de oplossing om de verminderde pensioenopbouw met een nettolijfrente te repareren:

    • kan de werkgever een faciliterende rol hebben, maar dit hoeft niet;
    • kan de regeling ook gebruikt worden door ondernemers, voor een werkgever is dit echter niet van belang;
    • is het fiscale voordeel – zeker in de eerste jaren - marginaal (1,2%). Zo heeft Lodewijk in het eerste jaar € 30 voordeel;
    • is de premie-/inlegruimte beperkt (en dus ook het fiscale voordeel);
    • geldt vanuit wetgeving géén verplichte informatieverstrekking (startbrief, UPO) zoals voor pensioenproducten wel geldt. Het gaat echter om een ingewikkeld product, dus zal de informatieverstrekking wel hierop aangepast moeten zijn;
    • is het de vraag of de werknemer het fiscale voordeel vindt opwegen tegen de beperkende voorwaarden die voor lijfrenten gelden;
    • is een nettolijfrente minder geschikt om het tekort in een nabestaandenvoorziening te repareren;
    • krijgt de werknemer ook een bijdrage in de vorm van loon als de werkgever een bijdrage aan deelnemers aan de nettolijfrente verstrekt.

    Mogelijkheid 4: Nettolijfrente in de tweede pijler

    Als voorlaatste mogelijkheid om de verminderde pensioenopbouw te repareren behandel ik het plan om de nettolijfrente onder te brengen in de tweede pijler. Deze mogelijkheid wordt thans nader uitgewerkt door de staatssecretaris. Hiermee komt hij tegemoet aan de wens van de Tweede Kamer om ook pensioenfondsen de nettolijfrente te laten uitvoeren. 17)
    Het verbaast mij dat opnieuw naar een mogelijkheid wordt gezocht om in de tweede pijler en onder werking van de Pensioenwet een nettospaarfaciliteit aan te bieden. Pas op 24 januari 2014 is het wetsvoorstel om pensioen- en lijfrente-excedentregelingen 18) te introduceren ingetrokken.  U weet nog wel, dat is die wet waarin dat fantastische woord voor ‘Wordfeud’ (de virtuele variant van het bordspel ‘Scrabble’) in voorkomt. Ik heb het dan over de ‘optoppingsouderdomspensioenexcedentregeling’. Een van de redenen om het voorstel in te trekken was om het eenvoudiger voor pensioenuitvoerders te maken. Een andere reden was, dat geen enkele pensioenuitvoerder een dergelijk product tegen redelijke kosten zou kunnen aanbieden. Waarom dat nu opnieuw zou moeten worden onderzocht en waarom de uitkomst dan anders zou uitvallen is mij vooralsnog onduidelijk. Maar de politiek blijft moeilijk te doorgronden.

    Hoe ziet de nieuw te introduceren nettolijfrente in de tweede pijler er uit? 19)

    Bij deze nettolijfrente in de tweede pijler - de staatssecretaris vindt deze term duidelijker dan  nettopensioen - staat de werkgever aan het roer. Hij bepaalt of een nettolijfrente aan de werknemer met een pensioengevend loon boven de aftoppingsgrens wordt aangeboden of niet. Wordt de regeling aangeboden, dan is deelname voor de werknemer vrijwillig.
    Is een werkgever verplicht om deel te nemen aan de pensioenregeling van een pensioenfonds? Dan is het de bedoeling dat ook de nettolijfrente in de tweede pijler onder deze verplichtstelling valt. 20)
    In tegenstelling tot het nettolijfrente in de derde pijler, valt het nettolijfrente in de tweede pijler wel onder de werking van de Pensioenwet. Dit betekent dat het pensioen bij faillissement van de werkgever een zekere bescherming geniet. Maar het betekent ook dat alle informatieverplichtingen die voor ‘gewoon’ pensioen gelden, ook van toepassing op de nettolijfrente in de tweede pijler zullen zijn. De uitvoerder zal bijvoorbeeld aan een nieuwe deelnemer een startbrief en aan alle actieve deelnemers jaarlijks een UPO moeten verstrekken. Omdat de Pensioenwet van toepassing is, valt de bank als toegestane uitvoerder af. Het gevolg van het onder de Pensioenwet vallen is ook, dat de Wet verevening van pensioenrechten bij scheiding van toepassing is. Hierdoor zal bij scheiding een netto vermogensbestanddeel moeten worden verdeeld. Dat kan handig zijn als bij de scheiding een fiscaal geruisloze verrekening moet plaatsvinden. Maar het zal even wennen zijn voor iedereen om buiten ‘gewoon’ pensioen ook deze nettolijfrente te moeten verdelen.
    Hetzelfde geldt voor waardeoverdracht van de nettolijfrente. Aannemelijk is dat de huidige procedure en regels rondom waardeoverdacht ook van toepassing worden op de nettolijfrente.
    Tot slot is het gevolg van het onder de werking van de Pensioenwet vallen, dat ook de Wet op de medische keuringen (WMK) van toepassing zal zijn op de nettolijfrente in de tweede pijler. Dit betekent dat de pensioenuitvoerder geen gezondheidswaarborgen van de werknemer mag verlangen. Het staat de pensioenuitvoerder overigens altijd vrij om geen gezondheidswaarborgen te verlangen. Dit laatste ligt voor de hand als de uitvoerder van het partnerpensioen een reparatievoorstel doet. Het risico van het partnerpensioen wordt immers afgetopt op € 100.000.
    De nettolijfrente in de tweede pijler moet aan dezelfde lijfrentevormen en fiscale voorwaarden voldoen als de nettolijfrente in de derde pijler. Ook de berekening van de in te leggen premie vindt op dezelfde wijze plaats. Als een pensioenfonds de nettolijfrente in de tweede pijler uitvoert, zal een strikte vermogensscheiding tussen ‘gewoon’ pensioen en de nettolijfrente moeten plaatsvinden. Dit om kruissubsidiëring te voorkomen. Dit verstaat de staatssecretaris onder ‘fiscale hygiëne’. Vindt deze scheiding niet plaats, dan kan sprake zijn van een pensioenregeling die niet meer als zodanig kwalificeert of van een bovenmatige pensioenregeling.
    Voor bij pensioenfondsen ondergebrachte nettolijfrenten gelden, net zoals bij ‘gewoon’ pensioen, aanvullende regels vanuit de Pensioenwet. Zo zal er sprake moeten zijn van een werkgeversbijdrage van tenminste 10% en gelden allerlei voorschriften inzake het beleggen van de ingelegde gelden.

    Conclusies Nettolijfrente in de tweede pijler

    Hoewel nog niet alle bijzonderheden bekend zijn en wijzigingen nog mogelijk zijn, lijkt het er op dat bij het repareren van de verminderde pensioenopbouw door middel van een nettolijfrente in de tweede pijler de volgende conclusies kunnen worden getrokken:

    • de werkgever staat aan het roer, maar de werknemer beslist of hij deelneemt of niet;
    • ook een werknemer die niet deelneemt, ontvangt een werkgeversbijdrage (in de vorm van loon). De hoogte van deze bijdrage wordt bepaald alsof hij wel zou deelnemen;
    • het fiscale voordeel bij deelname is marginaal (1,2% vrijstelling in box 3);
    • de premie-/inlegruimte (en dus ook het fiscale voordeel) is beperkt;
    • er mogen geen gezondheidswaarborgen worden verlangd;
    • het is de vraag of het fiscale voordeel opweegt tegen de beperkende voorwaarden die voor lijfrenten gelden. Daarnaast is het de vraag of het fiscale voordeel opweegt tegen de hoge kosten die vanuit informatieverplichtingen aan dergelijke producten zijn verbonden.

    Dit laatste punt verdient extra aandacht. Want de vraag staat centraal of door allerlei wettelijk opgelegde verplichtingen (Pensioenwet) de kosten van een product niet dusdanig hoog zullen worden, dat hierdoor een ‘nettowoekerproduct’ wordt gelanceerd. Als de kosten bijvoorbeeld 20% bedragen (een naar mijn mening reëel  kostenpercentage voor een dergelijk ingewikkeld en administratief bewerkelijk pensioenproduct) dan resteert van iedere € 100 inleg slechts € 80 om te beleggen. Bij een netto rendement van 5% bedraagt het rendement op de inleg dan € 4. In dat geval is dus al 1% van het fiscale voordeel van 1,2% verdampt ...

    Mogelijkheid 5: Netto sparen of beleggen in box 3

    De laatste mogelijkheid is dat de werknemer zijn (door de compensatie van de werkgever bruto verhoogde) netto loon aanwendt om te sparen of beleggen in box 3. In dat geval kan hij, als deze al niet is gebruikt, gebruik maken van de algemene vrijstelling in box 3. Het heffingsvrij vermogen bedraagt in 2014 voor een werknemer met een fiscale partner ruim € 42.000.
    Daarnaast geldt in box 3 een speciale vrijstelling voor beleggingen in een groenfonds. Dit zijn fondsen die door de Belastingdienst zijn erkend en die investeren in projecten voor milieubescherming. De heffingskorting voor groene beleggingen wordt berekend over maximaal de vrijstelling die de werknemer gebruikt bij het bepalen van zijn belastbaar inkomen in box 3. De heffingskorting bedraagt 0,7% (2014) over maximaal € 56.420. Voor werknemers met een fiscale partner geldt het dubbele van dit bedrag.
    Als de werknemer de verminderde pensioenopbouw wil repareren en de horizon tot zijn pensioendatum is nog 10 jaar of langer, dan kan het zijn dat hij vanuit rendementsoverwegingen voor  beleggen kiest in plaats van sparen. De aard en soort van de beleggingen kan hierbij worden afgestemd op het risico en de restduur, net zoals bij een pensioenverzekering met beleggingen het geval is (lifecycle).
    De inleg is niet aftrekbaar en als niet wordt belegd in een groenfonds, dan is de waarde van het spaar- of beleggingssaldo jaarlijks belast in box 3. Dit betekent per saldo een heffing van 1,2% over de waarde. Daar staat tegenover dat de werknemer volledige vrijheid geniet: hij kan doen en laten met zijn saldo wat hij wil.

    Reparatie nabestaandenvoorziening

    Om de nabestaandenvoorziening te repareren, kan de werknemer een risicoverzekering sluiten. Dit gebeurt buiten de arbeidsrelatie met de werkgever en dus individueel in de privésfeer. De hoogte van het verzekerd kapitaal kan individueel worden afgestemd op de behoefte van de werknemer. De premie voor een dergelijke verzekering is niet aftrekbaar. Daar staat tegenover dat het kapitaal onbelast wordt uitgekeerd. Gedurende de looptijd van de verzekering behoort de waarde tot de grondslag waarover de werknemer in box 3 vermogensrendementsheffing is verschuldigd. De waarde van een risicoverzekering is echter vaak gering. Om erfbelasting te voorkomen kan een op huwelijkse voorwaarden getrouwde werknemer (of een samenwonende werknemer met vergelijkbare voorwaarden in de samenlevingsovereenkomst) de polisredactie zo vorm geven, dat niets aan het vermogen van de erflater is onttrokken. In dat geval is de partner zowel verzekeringnemer als begunstigde van de overeenkomst. Voor een in gemeenschap van goederen gehuwde werknemer (en voor werknemers in een vergelijkbare situatie) geldt, dat de helft van de waarde van de uitkering in aanmerking wordt genomen voor de erfbelasting.

    Conclusies Netto sparen of beleggen in box 3

    Bij de oplossing om de verminderde pensioenopbouw door middel van Netto sparen of beleggen in box 3 te repareren:

    • heeft de werkgever in het geheel geen rol;
    • is de extra fiscale facilitering nihil;
    • geldt vanuit wetgeving géén verplichte informatieverstrekking (startbrief, UPO) zoals voor pensioenproducten wel geldt. Hierdoor zullen producten tegen lage kosten kunnen worden aangeboden;
    • staat de werknemer aan het roer. Hij bepaalt of, hoeveel en hoe lang hij  spaart of belegt en welk risico hij hierbij wil nemen;
    • is het principe ‘vrijheid, blijheid’ van toepassing. Er gelden vanuit fiscale of civiele wetgeving geen beperkende voorwaarden of sancties bij (eerdere) opname of op andere momenten;
    • kan het tekort in de nabestaandenvoorziening in een maatwerkoplossing worden verzekerd via een risicoverzekering.

    Tot slot

    De pensioenopbouw van vrijwel iedere werknemer gaat er per 1 januari 2015 op achteruit. Voor veel werknemers is dat het tweede achtereenvolgende jaar dat dit gebeurt. Wat betreft de reparatie van de achteruitgang  kunnen  twee groepen worden onderscheiden:
    A. werknemers met een pensioengevend loon van minder dan € 100.000;
    B. werknemers met een pensioengevend loon van € 100.000 of meer.

    A. Werknemers < € 100.000

    Het optimaliseren van de huidige pensioenregeling lijkt voor de werkgever de enige mogelijkheid om de verminderde pensioenopbouw fiscaal gefaciliteerd te compenseren. Bovendien lijkt dit voor de werknemers het meeste effect te hebben. Zowel de oudedags- als de nabestaandenvoorzieningen blijven op dezelfde manier verzorgd als de werknemer al gewend was. Voorwaarde is meestal wel, dat de regeling bij een verzekeraar is ondergebracht.

    Reparatie oudedagsvoorziening

    Voor de werkgever zie ik geen fiscaal gefaciliteerde manier om het tekort in de oudedagsvoorziening te compenseren. Dit zal dus moeten gebeuren in de vorm van een loonsverhoging.  Vervolgens is de vraag wat de werknemer met deze loonsverhoging gaat doen. Het kabinet wil blijkbaar graag dat er geconsumeerd wordt. Dat is goed voor de economie en de schatkist. Het treffen van een aanvullende oudedags- en/of nabestaandenvoorziening is voor de werknemer immers fiscaal niet erg aantrekkelijk gemaakt. Wil de werknemer dat toch doen? Dan kan ik me voorstellen dat hij kiest voor ‘vrijheid, blijheid’ en dus voor een oplossing in box 3.

    Reparatie nabestaandenvoorziening

    Is de nabestaandenvoorziening nog niet op peil? Dan kan de werkgever de nabestaandenvoorziening aanvullen door de arbeidsvoorwaarden te verrijken met bijvoorbeeld een collectieve ongevallen- en/of risicoverzekering. Als  deze verzekering onderdeel uitmaakt van het arbeidsvoorwaardenpakket, dan is de hoofdregel van toepassing. 21) Dit betekent dat de door de werkgever betaalde premies, behoudens de premies die benodigd zijn voor een uitkering bij overlijden ter grootte van maximaal 3 maal het maandloon 22), bij de werknemer als loon in aanmerking worden genomen.  Op de uitkering bij overlijden wordt dan geen loonheffing ingehouden. De uitkering bij overlijden is afkomstig uit het dienstverband, dus deze zal door de verkrijger in de aangifte erfbelasting moeten worden betrokken.

    B. Werknemers ≥ € 100.000

    Voor deze werknemers geldt hetzelfde als hierboven. Er komt voor de betreffende werknemer alleen een keuze bij. Hij moet namelijk beslissen of, en zo ja hoe, hij het gemis aan pensioenopbouw boven de aftoppingsgrens repareert. Besluit de werknemer om het gemis aan pensioenopbouw boven
    € 100.000 via een nettolijfrente te repareren? Naar mijn mening weegt het geboden fiscale voordeel bij de nettolijfrente, zowel in de derde als in de tweede pijler, niet op tegen de beperkende voorwaarden en de hogere kosten die bij dergelijke producten worden berekend . Ook zal deze werknemer, we hebben het over in het algemeen hoger opgeleide werknemers die tot de top van het bedrijf horen, zelf aan het roer willen staan. Ik kan me gezien voorgaande voorstellen dat Lodewijk – via zijn eigen adviseur - de oplossing voor zijn oudedags- en nabestaandenvoorziening zal zoeken en vinden in producten die niet extra fiscaal gefaciliteerd in box 3 worden aangeboden.

    1) Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, Kamerstukken 33610, en novelle Witteveen 2015, Kamerstukken 33847
    2) Besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M, Bijlage I, Tabel 1
    3) De fiscaal minimale franchise van € 13.449 (2014) met 2% geïndexeerd
    4) Bijlage bij nadere memorie van antwoord, Kamerstukken 33847, 25 april 2014
    5) Wet op de loonbelasting 1964,  artikel 18a, lid 8, onderdeel a
    6) Volgens De Belastingdienst bestonden deze vóór 2015 ook al, maar waren we ons daar niet van bewust
    7) Dit bedrag is fiscaal juist afgerond, namelijk op hele euro’s naar boven
    8) Zie ook: Bijlage ‘Berekeningen op verzoek fractie SP’ bij nadere memorie van antwoord, Kamerstukken 33847, 25 april 2014. Voor de directeur-grootaandeelhouder met pensioen in eigen beheer moet de AOW voor een alleenstaande als uitgangspunt worden genomen
    9) Besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M, Bijlage IV
    10) Zie Wet inkomstenbelasting 2001, artikelen 3.125 en 3.126a
    11) Successiewet 1956, artikel 32, lid 1, onderdeel 4, sub a en lid 2
    12) Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956, artikelen 5 tot en met 9
    13) Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, artikel 15, lid 2
    14) Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 5.16b zoals luidend op 1 januari 2015
    15) Nota naar aanleiding van het schriftelijk overleg toezegging richtinggevende brief novelle Witteveenkader, Kamerstukken 33847, 12 mei 2014, pagina 8
    16) Nota van wijziging Verzamelwet pensioenen 2014, Kamerstukken II 2013/14, 33 863, nr. 8
    17) Richtinggevende brief van de staatssecretaris van Financiën, kenmerk AFP/2014/ 252U, 28 maart 2014
    18) Wet pensioenaanvullingsregelingen, Kamerstukken 33672
    19) Nota naar aanleiding van het schriftelijk overleg toezegging richtinggevende brief novelle Witteveenkader, Kamerstukken 33847
    20) Tweede nota van wijziging Verzamelwet pensioenen 2014, Kamerstukken 33863
    21) Wet op de loonbelasting 1964, artikel 10
    22) Wet op de loonbelasting 1964, artikel 11, onderdelen h en m